| 33957 |
sluitriem |
leertje:
lē̜rkǝ (L416p Opglabbeek)
|
Riempje waarmee de delen van het haamslot op hun plaats gehouden worden. [JG 1a; N 36, 13]
I-10
|
| 20168 |
sluitspeld |
toespang:
tūūsjàng (L416p Opglabbeek),
toespeld:
tūūspèlt (L416p Opglabbeek)
|
sluitspeld; speld waarvan de punt wordt vastgezet in een dopje of haakje zodat men zich daaraan niet kan bezeren, voor de luier [toespeld, knipspeld, bakelspeld] [N 86 (1981)]
III-2-2
|
| 33459 |
sluitstang boven aan een poortvleugel |
schoude:
šø̜u̯ (L416p Opglabbeek)
|
Een poortvleugel kan aan de bovenzijde gesloten worden door een korte metalen stang omhoog te duwen in een gat in het kozijn. De stang heeft aan de onderzijde vaak een handvat dat met de stang gedraaid kan worden achter een pin of in een gleuf om te voorkomen dat de stang zakt. Meestal wordt slechts één van de beide poortvleugels zo gesloten. [N 4A, 47b]
I-6
|
| 20491 |
slurpen |
slurpen:
slurpe (L416p Opglabbeek),
slur‧pə (L416p Opglabbeek),
slérpe (L416p Opglabbeek),
vloeibaar eten hoorbaar en lippensmakkend naar binneb werken
slörpe (L416p Opglabbeek)
|
slurpen || slurpen; Hoe noemt U: Drank of vloeibaar voedsel hoorbaar opzuigen (slorpen, slurpen, slierpen, lerpen, lerwen, zabberen, slobberen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 17741 |
smaak |
goesting:
gosteŋ (L416p Opglabbeek),
smaak:
smak (L416p Opglabbeek)
|
smaak: het spek heeft een ranzige smaak [N 10 (1961)] || smaak: mijn smaak is bedorven door die rotte appel [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 20601 |
smaken |
bekken:
Ich zaag waal det hèèm di-jn vlaai neet bekde
bekke (L416p Opglabbeek)
|
smaken
III-2-3
|
| 20490 |
smakken |
smekken:
smekke (L416p Opglabbeek),
smèkke (L416p Opglabbeek),
smèkkə (L416p Opglabbeek),
smetsen:
smētse (L416p Opglabbeek)
|
smakken; Hoe noemt U: Hoorbaar eten, een klappend geluid maken met de lippen of de tong bij het eten (smakken, smekken, smiksen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33973 |
smalle buikriem |
buikband:
būi̯.k˱ba.nt (L416p Opglabbeek)
|
Riem of ketting die onder de buik van het paard doorloopt en beide strengen verbindt. Vergelijk ook lemma Brede Buikriem. [JG 1b, 1c, 1d, 2c; N 13, 61]
I-10
|
| 33691 |
smalle weg, pad |
paadje:
pē̜tjǝ (L416p Opglabbeek),
velopad:
vēlōpāt (L416p Opglabbeek)
|
Een smalle weg, een pad in het algemeen. In L 40, 25 werd gevraagd naar de dialectwoorden voor ø̄een smalle weg, een padø̄ en in N M, 5 naar die voor ø̄een pad of een veeweg door een weiø̄. Omdat er in de antwoorden op beide vragen veel overlapping zat, zijn deze in √©√©n lemma ondergerbacht. Uiteraard duiden woorden als veeweg, weiweg, koegang e.a. specifiek op een weg door een wei. [N M 5; N P, 2; S 27; L 40, 25; R I, 3; A 25, 6 add.; L 19B, 6; monogr.]
I-8
|
| 18978 |
smeerpoes |
mottigerd:
eine mozak is èè mottig menneke
mottigerd (L416p Opglabbeek)
|
onzindelijk, vuil wezen, motlap
III-1-4
|