e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
sluitriem leertje: lē̜rkǝ (Opglabbeek) Riempje waarmee de delen van het haamslot op hun plaats gehouden worden. [JG 1a; N 36, 13] I-10
sluitspeld toespang: tūūsjàng (Opglabbeek), toespeld: tūūspèlt (Opglabbeek) sluitspeld; speld waarvan de punt wordt vastgezet in een dopje of haakje zodat men zich daaraan niet kan bezeren, voor de luier [toespeld, knipspeld, bakelspeld] [N 86 (1981)] III-2-2
sluitstang boven aan een poortvleugel schoude: šø̜u̯ (Opglabbeek) Een poortvleugel kan aan de bovenzijde gesloten worden door een korte metalen stang omhoog te duwen in een gat in het kozijn. De stang heeft aan de onderzijde vaak een handvat dat met de stang gedraaid kan worden achter een pin of in een gleuf om te voorkomen dat de stang zakt. Meestal wordt slechts één van de beide poortvleugels zo gesloten. [N 4A, 47b] I-6
slurpen slurpen: slurpe (Opglabbeek), slur‧pə (Opglabbeek), slérpe (Opglabbeek), vloeibaar eten hoorbaar en lippensmakkend naar binneb werken  slörpe (Opglabbeek) slurpen || slurpen; Hoe noemt U: Drank of vloeibaar voedsel hoorbaar opzuigen (slorpen, slurpen, slierpen, lerpen, lerwen, zabberen, slobberen) [N 80 (1980)] III-2-3
smaak goesting: gosteŋ (Opglabbeek), smaak: smak (Opglabbeek) smaak: het spek heeft een ranzige smaak [N 10 (1961)] || smaak: mijn smaak is bedorven door die rotte appel [N 10 (1961)] III-1-1
smaken bekken: Ich zaag waal det hèèm di-jn vlaai neet bekde  bekke (Opglabbeek) smaken III-2-3
smakken smekken: smekke (Opglabbeek), smèkke (Opglabbeek), smèkkə (Opglabbeek), smetsen: smētse (Opglabbeek) smakken; Hoe noemt U: Hoorbaar eten, een klappend geluid maken met de lippen of de tong bij het eten (smakken, smekken, smiksen) [N 80 (1980)] III-2-3
smalle buikriem buikband: būi̯.k˱ba.nt (Opglabbeek) Riem of ketting die onder de buik van het paard doorloopt en beide strengen verbindt. Vergelijk ook lemma Brede Buikriem. [JG 1b, 1c, 1d, 2c; N 13, 61] I-10
smalle weg, pad paadje: pē̜tjǝ (Opglabbeek), velopad: vēlōpāt (Opglabbeek) Een smalle weg, een pad in het algemeen. In L 40, 25 werd gevraagd naar de dialectwoorden voor ø̄een smalle weg, een padø̄ en in N M, 5 naar die voor ø̄een pad of een veeweg door een weiø̄. Omdat er in de antwoorden op beide vragen veel overlapping zat, zijn deze in √©√©n lemma ondergerbacht. Uiteraard duiden woorden als veeweg, weiweg, koegang e.a. specifiek op een weg door een wei. [N M 5; N P, 2; S 27; L 40, 25; R I, 3; A 25, 6 add.; L 19B, 6; monogr.] I-8
smeerpoes mottigerd: eine mozak is èè mottig menneke  mottigerd (Opglabbeek) onzindelijk, vuil wezen, motlap III-1-4