| 32235 |
sluif |
buis:
būs (L416p Opglabbeek)
|
Het om beide uiteinden van de trekschei bevestigde platte, rechthoekig gebogen ijzer waaraan de trekkettingen of trekstrengen worden vastgemaakt. Zie ook de lemmata ɛtrekscheiɛ en ɛuitstekende delen van de trekscheiɛ in wld I.13, pag. 42 - 43.' [JG, 1a]
II-12
|
| 17577 |
sluik haar |
stijf haar:
stiv hōͅr (L416p Opglabbeek)
|
recht, sluik haar [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17836 |
sluimeren |
knikkebollen:
[3e p. ev., rk]
knikkəbòlt (L416p Opglabbeek),
knotsen:
knotsə (L416p Opglabbeek)
|
Dut: lichte of korte slaap (dut, hazeslaap, buts, slaapje, mufs, toer). [N 84 (1981)] || sluimeren [drooze, knikkebolle] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 17933 |
sluipen |
onderuitritsen:
oenərūūtritsə (L416p Opglabbeek),
sluipen:
sluupen (L416p Opglabbeek)
|
Sluipen: zich in alle stilte voortbewegen zodat niemand het merkt (sluipen, kruipen, slippen, gluipen). [N 84 (1981)] || Sluipen: zich in alle stilte voortbewegen, zodat niemand het merkt (sluipen, kruipen, gluipen) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 26351 |
sluisbalk |
voorslag:
vīǝ.rslā.x (L416p Opglabbeek)
|
De evenwijdig boven de slagdorpel lopende horizontale houten balk. Zie ook afb. 68. [Vds 35; Jan 32; Coe 21; Grof 53]
II-3
|
| 21175 |
sluisdeur |
sluis:
slŭŭs (L416p Opglabbeek),
slyz (L416p Opglabbeek)
|
het ophijsbare deel van een sluis (schoft) [N 90 (1982)] || Sluisdeur, bestaande uit een vijftal planken die horizontaal op twee vertikaal staande planken zijn bevestigd. Zie ook afb. 68. Volgens Janssen (pag. 33) werden de planken vroeger met pinnen -lange houten nagels met vierkante kop- op de balken vastgemaakt. Later werden de pinnen vervangen door grote ijzeren schroeven. [Vds 38; Coe 19; Jan 34; Grof 50; Grof 56; monogr.]
II-3, III-3-1
|
| 26349 |
sluiswerk |
voorslag:
vīǝ.rslā.x (L416p Opglabbeek)
|
Het hele sluisgestel, bestaande uit verticale stijlen, balken en sluizen, dat het water vōōr het rad moet tegenhouden. Zie ook afb. 67. Volgens Vanderspickken (pag. 75) heeft het woordtype voorslag in P 50, P 51, P 53, P 56, P 58 en Q 77 een engere betekenis: ø̄datgene wat vōōr de sluizen ligt, meer bepaald de sluisbrug.ø̄ Vgl. ook het lemma ɛsluisbrugɛ.' [Vds 33; Jan 30; Coe 19; Grof 51; monogr.]
II-3
|
| 24943 |
sluiten (van grond) |
hel worden:
(hel wéére) (L416p Opglabbeek),
uitdrogen:
uutgədriegt (L416p Opglabbeek)
|
hard worden, gezegd van aarde [vervloeren, sluiten] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 18542 |
sluitklep |
klep:
kleͅp (L416p Opglabbeek),
valdeur:
va.ldīr (L416p Opglabbeek)
|
klep van een broek met sluitklep aan de voorkant [bokseslaag, presenteerblad] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33460 |
sluitpin onder aan een poortvleugel |
schoude:
šau̯ (L416p Opglabbeek),
šø̜u̯ (L416p Opglabbeek)
|
Een poortvleugel kan aan de onderzijde gesloten worden door een korte metalen stang of pin te laten zakken in een gat in de drempel. Aan de bovenzijde is meestal een ring of haak waardoor de stang in de hoogste stand kan blijven hangen aan een pin als de poortvleugel geopend wordt. [N 4A, 47c]
I-6
|