e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
slobberend geluid maken slobberen: slubǝrǝ (Opglabbeek) Bij het eten een slobberend geluid maken. [N 76, 34] I-12
slobkous getje: šysəl jeͅttšəs (Opglabbeek) voetbekleedsel zonder zool, dat over de schoenen (en enkels) wordt gedragen [slopkous, soepjee] [N 24 (1964)] III-1-3
sloffen sloffen: sloefen (Opglabbeek), slofə (Opglabbeek), slōēfə (Opglabbeek) lopen, gaan; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 10 (1961)] || sloffen: Zodanig lopen dat de zool over de grond schuift (sloffen, slerven, klossen). [N 84 (1981)] || Zodanig lopen dat de zool over de grond schuift (sloffen, klossen, sjroevelen, sjroeffelen) [N 108 (2001)] III-1-2
slok slok: sloek (Opglabbeek), slŏĕk (Opglabbeek), slòk (Opglabbeek), slók (Opglabbeek), teug: tie.g (Opglabbeek), tieeg (Opglabbeek) kleine hoeveelheid drank || teug; Hoe noemt U: De hoeveelheid drank of vloeistof die men in een keer in de mond neemt en doorslikt (teug, slok, zjats) [N 80 (1980)] III-2-3
slokdarm slokdarm: slogdeͅrm (Opglabbeek), strot: strūt (Opglabbeek) slokdarm [krop, gorgel] [N 10 (1961)] || Spierachtige buis die de keel met de maag verbindt. [N 28, 78] II-1, III-1-1
slons (slodder?) bef: een pejoratieve benaming Doa stong (of sting) zuu ein witte bef achter den tuug. Is mich di-j auw bef nûw uich nog manzeek gewure  bef (Opglabbeek), klamot: Di-j klemos kos bèter wat poetsen en stòf vège  klemos (Opglabbeek), lodder: (afgeleid van lomp, lor of prul) BW. lodderechtig: Di-j leipt er uich mè lodderechtig bi-j  lodder (Opglabbeek), tooi: Is mich det ein vûl tuuj  tuuj (Opglabbeek) klamot, slonzig vrouwmens || loeder of wat slonzige vrouw || slons, slet || slonzige vrouw III-1-4
slordig mankementig: Det hauwe ze mè erg magkementig ineingekalfaterd  magkementig (Opglabbeek) klungelig III-1-4
slordig, verkeerd naaien brabbelen: brabǝlǝ (Opglabbeek) [N 62, 25; MW] II-7
slot slot: slūǝt (Opglabbeek) Toestel dat als sluiting op deuren wordt aangebracht, waarbij door middel van een sleutel een schoot of tong wordt uitgeschoven die in een gat in de stijl van het kozijn valt. [N 54, 94b; L 6, 73a; S 33; monogr.] II-9
sluier voile (fr.) met kransjes: vyəl + kreͅnskəs (Opglabbeek) sluier, lange witte ~ met een kroontje van wasbloempjes, hoofdtooi van Communiemeisjes [N 25 (1964)] III-1-3