| 32897 |
slijpzand, zavel |
slijk:
slī.k (L416p Opglabbeek)
|
Het zand (aarde, leem, slijk, modder) waarmee de strekel werd ingesmeerd en dat in het zandblok of de klomp werd meegenomen naar het veld. In enkele plaatsen wordt toegevoegd dat men wat roggemeel door het zand mengde om het stroever te maken: P 115, 118a, 119, 176a, 188, Q 2, 2a, 73, 75, 76, 77, 78, 80 en 188. Ten einde het zand op de juiste manier vochtig te houden werd er in Q 9 appelsap, en in Q 76 en 77 azijn, aan toegevoegd; werd er in L 362, 363 en 367 op gewaterd en in P 176 op gespuugd. Uitdrukkelijk vermeld dat men geen slijpzand gebruikt, werd er in P 192, Q 152, 154, 155, 156, 157, 159 en 168a. Zie ook de andere lemma''s rond de strekel. [JG 1a, 1b; N 80, 83 add.]
I-3
|
| 29116 |
slijtsel |
pluisje:
plȳskǝ (L416p Opglabbeek),
plīskǝ (L416p Opglabbeek)
|
Datgene wat van de stof of het kledingstuk afslijt. [N 62, 46]
II-7
|
| 20502 |
slikken |
afslikken:
aafslikke (L416p Opglabbeek),
āāfslikkə (L416p Opglabbeek),
slikken:
slikke (L416p Opglabbeek)
|
slikken; Hoe noemt U: Voedsel of drank door de keel uit de mond naar de maag brengen (slikken, slokken, halzen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 19282 |
slim |
bijdehand:
det is toch èè bi-jderhand jinske viêr zi-jne lèèfti-jd
bi-jderhand (L416p Opglabbeek),
dèè mins is zuu bi-jterhand det hèè viêr alles drek ein oplossing vindsj
bi-jterhand (L416p Opglabbeek),
gewiekst:
Det gewikst kèrelke kri-gt det waal kloar, zeeg doa mè ziêker van
gewikst (L416p Opglabbeek),
slim:
slĭm (L416p Opglabbeek),
vernistig:
men kan ook fernistig horen Eè vernistig kèrelke D‰¯s nûw ins echt vernistig bedacht
vernistig (L416p Opglabbeek)
|
gewiekst || handig, vinnig || slim [ZND A1 (1940sq)] || slim en levendig
III-1-4
|
| 28662 |
slingeren |
slingeren:
slingeren (L416p Opglabbeek)
|
Het oogsten van honing door middel van een honingslinger. De ramen worden zo geplaatst dat de toplatten achteraan komen. De reden is dat de stand van de cellen van binnen naar buiten wijst, iets schuin omhoog. [N 63, 126; N 63, 123a; JG 1b; Ge 37, 174; monogr.]
II-6
|
| 28661 |
slingerhoning |
slingerhoning:
slingerhoning (L416p Opglabbeek)
|
Honing die geoogst wordt door de raten in een toestel rond te laten slingeren, waardoor de honing uit de raten verwijderd wordt. [N 63, 116c; N 63, 115c; JG 1a; monogr.]
II-6
|
| 18228 |
slip |
slip:
hemslep (L416p Opglabbeek),
slip (L416p Opglabbeek)
|
afhangend eind van een kledingstuk [slip, klamp] [N 86 (1981)] || hemdslip, pand van een hemd [slup, slipruiter, geer, vaan, lesj, hemsjlup] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 18694 |
slip-over |
tricot (fr.) zonder mouwen:
trəko zunər mywə (L416p Opglabbeek)
|
slipover, truivest zonder mouwen [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18270 |
slipjas |
pitteleer (<fr.):
petəlēͅr (L416p Opglabbeek)
|
jacquetjas, zwarte jas met lange achterpanden [pitteleer, pieteloer, slipjas, frak, batsesleeger, billentikker, klaovert, steekert] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18538 |
slipjas: spotnamen |
billenkletser:
billekletser (L416p Opglabbeek)
|
het jacquet-jas (slipjas, billetikker) [N 59 (1973)]
III-1-3
|