| 19801 |
sleutelbos |
bos sleutels:
bos slietels (L416p Opglabbeek),
bos sliëtels (L416p Opglabbeek),
sleutelbos:
slietelbos (L416p Opglabbeek)
|
Een bos sleutels. Wil u de dialectische benamingen van de volgende voorwerpen opgeven: een bos sleutels [ZND 45 (1946)]
III-2-1
|
| 24952 |
slib, rivierbodem |
sladder:
slàdder (L416p Opglabbeek)
|
slib, geheel van de bodembestanddelen die door water worden meegevoerd of zich uit water hebben neergezet, wanneer het nog niet verhard is [slob,blets, blei] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 31588 |
slijkvanger |
slijkplaat:
slikplāt (L416p Opglabbeek)
|
Metalen plaat boven de as, tussen het asblok en de binnenzijde van de naaf, die dient als bescherming tegen van het karwiel afvallende modder. [N 17, 68; NG, 50e]
II-11
|
| 18022 |
slijm |
slijm:
sliem (L416p Opglabbeek),
snoterbel:
-> lm. snottebel
snūūtərbèllə (L416p Opglabbeek)
|
Slijm: kleverige taaie stof, als afscheiding van de slijmvliezen (slijm, zwadder). [N 84 (1981)] || Slijm: kleverige taaie stof, als afscheiding van de slijmvliezen (slijm, zwadder, snotter, snot). [N 107 (2001)]
III-1-2
|
| 34180 |
slijm bij de nageboorte |
slijm:
slīm (L416p Opglabbeek),
slijmer:
slǭmǝr (L416p Opglabbeek)
|
Kleverige slijm bij de nageboorte. [N 3A, 57b]
I-11
|
| 34163 |
slijmblaas |
slijm:
slīm (L416p Opglabbeek)
|
Gelei-achtige afscheiding uit de schede vóór het kalven. [N 3A, 37]
I-11
|
| 34164 |
slijmen |
snoeren:
(de koe) snērt (L416p Opglabbeek)
|
Afscheiding geven uit de schede vóór het kalven, gezegd van de koe. [N 3A, 37]
I-11
|
| 34178 |
slijmkoek |
slijm:
slīm (L416p Opglabbeek),
tong:
tøŋ (L416p Opglabbeek)
|
Koekje dat het kalf bij de geboorte in de bek heeft. [N 3A, 56]
I-11
|
| 32901 |
slijpbus, hoorn |
slijpbus:
slībø̜s (L416p Opglabbeek),
tengelbus:
tęŋǝlbęs (L416p Opglabbeek)
|
Om goed te kunnen scherpen moet de wetsteen vochtig zijn. Daartoe droeg de maaier de wetsteen in een bakje of busje met water aan zijn riem of broekband. Soms werd hiertoe een stevige koehoorn gebruikt, waaraan een haakje was bevestigd. Soms ook plaatste men de bus of de hoorn met de punt in de grond. Waar het gebruik van de houten strekel en van de wetsteen niet (meer) onderscheiden is, wordt de slijpbus of hoorn (met vloeistof) die bij de wetsteen hoort, wel verward met het zandblok of de klomp (met zavel) die bij de strekel hoort. In de Belgische Kempen en in West-Haspengouw komt de slijpbus niet voor. Zie afbeelding 9, nummer 5. Zie ook het volgende lemma voor de inhoud van de slijpbus. [N 18, 81; JG 1a, 1b, 2c; A 23, 16II; monogr.]
I-3
|
| 25352 |
slijpstaal |
staal:
stǭl (L416p Opglabbeek)
|
Een ± 40 cm lange stalen pin, voorzien van een handvat. Het oppervlak van de pin is soms wel, soms niet geruwd. Het staal wordt gebruikt om een mes of krabber op aan te zetten. Zie afb. 2. [N 28, 122; N 28, 123; monogr.]
II-1
|