| 24375 |
slak |
slak:
slek (L416p Opglabbeek),
sleͅk (L416p Opglabbeek)
|
slak || slak, alg. [ZND A1 (1940sq)]
III-4-2
|
| 17553 |
slank |
ris:
rits (L416p Opglabbeek)
|
Slank, tenger: rank, smal gebouwd (slank, raal, reel, rank, riede). [N 84 (1981)]
III-1-1
|
| 17835 |
slaperig |
slaperig:
slaopərig (L416p Opglabbeek)
|
Slaperig: geneigd zijn tot slapen (slaperig, dommelig, dwaas, vaakluis). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20647 |
slappe koffie |
merenzeik:
mèrezeik (L416p Opglabbeek),
schotelwater:
šy(3)̄ətəl wātər (L416p Opglabbeek),
zwaddel:
zwadəl (L416p Opglabbeek)
|
nogal slappe koffie of thee || Slappe koffie (lierie, loerie, zwadder, zwoelie, poelie, poelespaat, poelieprats, laarie, paalie, pèùjt, merriezèèjk?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18411 |
slappe vilten hoed |
floets:
flyts (L416p Opglabbeek)
|
hoed, slappe, vilten ~ met deuk [lösjhood, scheurhood] [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 25216 |
slecht dragend ijs |
sprink in het ijs:
sprink əin ⁄t ies (L416p Opglabbeek),
zwak ijs:
zwaak i-js (L416p Opglabbeek)
|
slecht dragend ijs [papieren zolder] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 33751 |
slecht gesneden hengst |
piet:
pit (L416p Opglabbeek)
|
Bij de piet is slechts één teelbal uitgesneden; men kan daarom spreken van een halfgelubde hengst. Bij de klophengst zijn één of beide zaadballen niet uit de buikholte ingedaald; hij mag niet voor de kweek gebruikt worden, omdat dit erfelijk is, en wordt door het verbrijzelen der teelballen met een houten hamer ongeschikt gemaakt tot de voortteling. Wie veel fokmerries bezit, gebruikt wel eens een klophengst om uit te proberen of de merries hengstig zijn en alzo de kostbare dekhengsten te sparen. [JG 1a, 1b; N 8, 20, 61a en 61b; monogr.]
I-9
|
| 17542 |
slecht groeien |
achterblijven:
achter blieven (L416p Opglabbeek)
|
Slecht groeien, gezegd van een kind (slecht groeien/wassen, achterblijven, dao zit de krot in, kooieren). [N 107 (2001)]
III-1-1
|
| 18946 |
slecht mens, slechte kerel |
voyou (fr.):
Fr. voyou Pas mè good op, want dèè vent is eine echte vejuw
vejûw (L416p Opglabbeek)
|
schurk, ploert
III-1-4
|
| 33828 |
slecht van bouw |
hol:
hǭl (L416p Opglabbeek)
|
De antwoorden van de correspondenten doelen vooral op een hol paard met ingevallen flanken en uitstekende heupen. Vgl. het lemma ''harmonisch van bouw'' (4.3.1). [N 8, 62k, 62l en 78a]
I-9
|