| 19762 |
slaapkamer |
slaapkamer:
slōͅpkāmər (L416p Opglabbeek)
|
slaapkamer [ZND m]
III-2-1
|
| 18596 |
slaapmuts |
slaapmuts:
sla͂opmeͅts (L416p Opglabbeek)
|
slaapmuts [pietermöts [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 20303 |
slabbetje, spuugdoekje |
drietipje:
drītepkə (L416p Opglabbeek),
halsplagje:
haolspleͅkskə (L416p Opglabbeek),
slabbertje:
slaobərkə (L416p Opglabbeek),
zeverlapje:
zeͅivərleͅpkə (L416p Opglabbeek)
|
doek, witte ~ die men het kind als een schortje voor de borst speldt [speet, spit] [N 25 (1964)] || slabje, morsdoekje voor kinderen [slabbertje, slabberlepke, zeiverlepke, slepke, bavet(sje) [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 25342 |
slachten |
slachten:
slaxtǝ (L416p Opglabbeek)
|
Doden van vee met de bedoeling het als voedsel te gebruiken. Wat het woordtype "dooddoen" betreft, merken verschillende informanten (in K 353, P 50, P 177, P 179, P 180, P 185) op, dat het verouderd is. [JG 1a + 1b + 2c: R 14, 231 add.; S 33; monogr.]
II-1
|
| 25343 |
slachtklaar |
vaardig:
vē̜rdǝx (L416p Opglabbeek)
|
Bij het lezen van dit lemma moet men beseffen dat het begrip "slachtklaar" door de respondenten verschillend opgevat kan zijn. De betekenis kan zijn "vet genoeg om geslacht te worden" of "gereed staande voor de slachter of het slachthuis". [N 3a, 78]
II-1
|
| 34049 |
slachtrijp |
vaardig:
vē̜rdex (L416p Opglabbeek)
|
Vet genoeg om geslacht te worden, gezegd van het mestkalf. [N 3A, 78]
I-11
|
| 17871 |
slag |
karwats:
kərwàtch (L416p Opglabbeek),
klets:
klèts (L416p Opglabbeek),
mep:
mèp (L416p Opglabbeek),
patat:
pətat (L416p Opglabbeek),
veeg:
véég (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
hoe heet een slag op de kaak ? Geef aan welke woorden gemeenzaam of plat zijn. [ZND 36 (1941)] || Oorveeg: slag om de oren (raps, oorveeg, opneuker, mot, blamot, appelvlink, sabelets, pees, lap, draai, laps, klap, lek, konkel, fleer, hababbel). [N 84 (1981)] || Slag op de kaak; muilpeer (flets, fleer, plakkaat, kek, kokarde, klamats). [N 84 (1981)] || Slag, klap: een slaande beweging met het doel om te treffen (gleer, smijt, klets, wiks, batter, bats, veeg, ketter, maai). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 34594 |
slaghout |
slaghout:
slaxhøi̯t (L416p Opglabbeek),
slot:
slȳǝt (L416p Opglabbeek)
|
Het losse houten, soms draaibare balkje onder de slagkar dat dient om de bak vast te zetten en te voorkomen dat hij onverwacht kipt. Dit balkje moet weggenomen of -gedraaid worden eer men de bak kan doen kippen. Er zijn verschillende soorten vergrendelingen: 1. een balkje dat onder de berries door wordt geschoven in twee krammen die onderaan in de draagbomen van de kar zijn bevestigd; 2. een balkje dat in het midden doorboord is en onderaan in het midden van een van de voorste scheien van de karbak vastgemaakt is. Het kan onder de bak gedraaid worden en vastgezet in de twee haken onderaan de draagbomen van de bak; 3. het balkje kan ook boven de berries en de draagbomen op de schoot van de kar aangebracht worden. [N 17, 20; N G, 56f]
I-13
|
| 20987 |
slagroom |
slagroom:
slaagruim (L416p Opglabbeek)
|
slagroom
III-2-3
|
| 34593 |
slagschei |
schei:
šē̜i̯ (L416p Opglabbeek)
|
De verbindingsschei(en) waarop de neergeslagen bak van de slagkar rust. [N 17, 19; N G, 56d]
I-13
|