| 32593 |
schudden met de riek |
schudden:
šędǝ (L416p Opglabbeek),
uiteenschudden:
ut˱ęi̯nšędǝ (L416p Opglabbeek)
|
Bij het mest spreiden maakt men met de riek telkens al schuddende een slingerende beweging. [N M, 12b; N 11A, 24; JG 1a + 1b; monogr.]
I-1
|
| 19565 |
schuier |
klederborstel:
klei̯ərboͅrstəl (L416p Opglabbeek),
klēͅi̯jərboͅrstəl (L416p Opglabbeek)
|
borstel; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 33144 |
schuif in de wanmolen |
schuif:
šā̯f (L416p Opglabbeek)
|
Bij het model wanmolen waar het gezuiverde graan niet in vaten, maar in zakken terechtkomt, bevindt zich vóór de uitloop naar de zak toe een schuif die men telkens neerlaat als een zak vol is. Terwijl er een nieuwe zak aan de uitloop wordt gehangen kan men zodoende doorwannen; de graankorrels hopen zich dan tegen de schuif op. Bij het oude model met de inhoudsvaten is er geen schuif en moet men telkens ophouden met wannen als er een vat vol is. [JG 1a, 1b -gedeeltelijk-; monogr.]
I-4
|
| 25230 |
schuilgaan van de maan |
staat in het water:
də mōͅn steͅit entwātər (L416p Opglabbeek)
|
baaien van de maan, in de betekenis van de maan gaat schuil in een wolk; betekenis/uitspraak [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 24992 |
schuimen |
schuimen:
sjŭŭmə (L416p Opglabbeek)
|
schuim opwerpen, dragen of geven [bedomen, schuimen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 19555 |
schuimspaan |
schuimlepel:
sji-jmliêpel (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
sjiemlīpəl (L416p Opglabbeek),
šīmlipəl (L416p Opglabbeek),
m.
šimlīəpəl (L416p Opglabbeek),
schuimslepel:
sji-jmsliêpel (L416p Opglabbeek),
om het schuim weg te nemen van b.v. versgekookte gelei of om aardappelen op eetborden te scheppen
sji-jmsliêpel (L416p Opglabbeek),
schuimspaan:
sji-jmpoan (L416p Opglabbeek),
sji-jmspoan (L416p Opglabbeek)
|
afschuimlepel || grote keukenlepel || schuimspaan [ZND 42 (1943)] || schuimspaan, schuimlepel [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 21370 |
schuld |
schuld:
eͅin šøͅit (L416p Opglabbeek),
šout (L416p Opglabbeek),
ps. omgespeld volgens Frings.
šø͂ͅi̯wt (L416p Opglabbeek),
šøͅi̯t (L416p Opglabbeek)
|
een schuld [ZND A2 (1940sq)] || Geldschuld, schuld die men nog moet betalen [N 21 (1963)] || schuld [ZND m]
III-3-1
|
| 21674 |
schuld zonder papieren |
schuld op zegwoord:
ps. omgespeld volgens Frings.
zeͅgwēͅrt (L416p Opglabbeek)
|
schuld die niet schriftelijk is vastgelegd [handschuld?] [N 21 (1963)]
III-3-1
|
| 30719 |
schuren |
schuren:
šōrǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het oppervlak van bijvoorbeeld hout met behulp van schuurpapier glad maken. [N 53, 155a; monogr.]
II-12
|
| 18102 |
schurft |
krets:
krets (L416p Opglabbeek),
schurft:
sxęrf (L416p Opglabbeek),
šęrǝf (L416p Opglabbeek)
|
Een zeer hardnekkige, heftig jeukende huidaandoening, die kan leiden tot sterke vermagering en zelfs tot totale uitputting van de aangetaste dieren. Schurft wordt veroorzaakt door verschillende soorten mijten, voor ieder dier weer verschillend. Zie ook het lemma ''schurft'' in wbd I.3, blz. 479-481. [N 3A, 89; N 52, 13; A 48A, 26; monogr.] || schurft: hoe heet de besmettelijke huidziekte, die een ondragelijke jeuk veroorzaakt tussen de vingers, aan de polsen (fr. gale) ? [ZND 42 (1943)]
I-11, III-1-2
|