e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
schudden met de riek schudden: šędǝ (Opglabbeek), uiteenschudden: ut˱ęi̯nšędǝ (Opglabbeek) Bij het mest spreiden maakt men met de riek telkens al schuddende een slingerende beweging. [N M, 12b; N 11A, 24; JG 1a + 1b; monogr.] I-1
schuier klederborstel: klei̯ərboͅrstəl (Opglabbeek), klēͅi̯jərboͅrstəl (Opglabbeek) borstel; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] III-2-1
schuif in de wanmolen schuif: šā̯f (Opglabbeek) Bij het model wanmolen waar het gezuiverde graan niet in vaten, maar in zakken terechtkomt, bevindt zich vóór de uitloop naar de zak toe een schuif die men telkens neerlaat als een zak vol is. Terwijl er een nieuwe zak aan de uitloop wordt gehangen kan men zodoende doorwannen; de graankorrels hopen zich dan tegen de schuif op. Bij het oude model met de inhoudsvaten is er geen schuif en moet men telkens ophouden met wannen als er een vat vol is. [JG 1a, 1b -gedeeltelijk-; monogr.] I-4
schuilgaan van de maan staat in het water: də mōͅn steͅit entwātər (Opglabbeek) baaien van de maan, in de betekenis van de maan gaat schuil in een wolk; betekenis/uitspraak [N 22 (1963)] III-4-4
schuimen schuimen: sjŭŭmə (Opglabbeek) schuim opwerpen, dragen of geven [bedomen, schuimen] [N 91 (1982)] III-4-4
schuimspaan schuimlepel: sji-jmliêpel (Opglabbeek, ... ), sjiemlīpəl (Opglabbeek), šīmlipəl (Opglabbeek), m.  šimlīəpəl (Opglabbeek), schuimslepel: sji-jmsliêpel (Opglabbeek), om het schuim weg te nemen van b.v. versgekookte gelei of om aardappelen op eetborden te scheppen  sji-jmsliêpel (Opglabbeek), schuimspaan: sji-jmpoan (Opglabbeek), sji-jmspoan (Opglabbeek) afschuimlepel || grote keukenlepel || schuimspaan [ZND 42 (1943)] || schuimspaan, schuimlepel [N 20 (zj)] III-2-1
schuld schuld: eͅin šøͅit (Opglabbeek), šout (Opglabbeek), ps. omgespeld volgens Frings.  šø͂ͅi̯wt (Opglabbeek), šøͅi̯t (Opglabbeek) een schuld [ZND A2 (1940sq)] || Geldschuld, schuld die men nog moet betalen [N 21 (1963)] || schuld [ZND m] III-3-1
schuld zonder papieren schuld op zegwoord: ps. omgespeld volgens Frings.  zeͅgwēͅrt (Opglabbeek) schuld die niet schriftelijk is vastgelegd [handschuld?] [N 21 (1963)] III-3-1
schuren schuren: šōrǝ (Opglabbeek) Het oppervlak van bijvoorbeeld hout met behulp van schuurpapier glad maken. [N 53, 155a; monogr.] II-12
schurft krets: krets (Opglabbeek), schurft: sxęrf (Opglabbeek), šęrǝf (Opglabbeek) Een zeer hardnekkige, heftig jeukende huidaandoening, die kan leiden tot sterke vermagering en zelfs tot totale uitputting van de aangetaste dieren. Schurft wordt veroorzaakt door verschillende soorten mijten, voor ieder dier weer verschillend. Zie ook het lemma ''schurft'' in wbd I.3, blz. 479-481. [N 3A, 89; N 52, 13; A 48A, 26; monogr.] || schurft: hoe heet de besmettelijke huidziekte, die een ondragelijke jeuk veroorzaakt tussen de vingers, aan de polsen (fr. gale) ? [ZND 42 (1943)] I-11, III-1-2