| 18331 |
schootsvel |
voorvel:
virveͅl (L416p Opglabbeek)
|
schootsvel, voorschoot van leer of grove stof, gedragen door ambachtslieden [voorvel, sloop] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 17962 |
schop |
schop:
schoep (L416p Opglabbeek),
sjŏĕp (L416p Opglabbeek)
|
Trap: harde stoot met de voet (trap, schop, stamp). [N 84 (1981)] || Trap: harde stoot met de voet (trap, schop, stamp, tree, tritt) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 26762 |
schop om vlikken of heiturf te steken |
vlikkenschup:
vlekǝšęp (L416p Opglabbeek)
|
Schop met twee opstaande randen of vleugels aan de zijkant. Het blad is meestal hartvormig. [N 18, 13; I, 39; monogr.]
II-4
|
| 33422 |
schop, afdak voor landbouwgereedschappen |
afdak:
āfdāk (L416p Opglabbeek),
afgang:
āfgaŋk (L416p Opglabbeek),
karschop:
karsxǫp (L416p Opglabbeek),
karšǫp (L416p Opglabbeek),
schop:
sxop (L416p Opglabbeek),
šop (L416p Opglabbeek),
šǫp (L416p Opglabbeek)
|
Het gedeelte van de boerderij-gebouwen waarin het los gereedschap, de karren, wagens en werktuigen worden opgeslagen. Soms stond deze bergplaats op zichzelf, maar doorgaans was ze tegen de schuur aangebouwd en bestond ze uit een groot afdak, zonder muren. Scherf is een contaminatie van ''schelf(t)'' en ''scherm''. Schaldij is eigenlijk "binnenplaats". Zie ook de plattegronden bij paragraaf 1.2. [N 5A, 73c en 80a; N 5, 105a, 106 en 107; JG 1a, 1b, 1c, 2a, 2b en 2c; L 1a-m; L B1, 179; L 6, 56 en 57; L 12, 1; L 19a, 11; Gwn 4, 1; S 1 en 50; monogr.]
I-6
|
| 17961 |
schoppen |
schoppen:
sjoͅpə (L416p Opglabbeek),
stampen:
stàmp (L416p Opglabbeek)
|
Schoppen: met de uitgestoken voet krachtig treffen (schoppen, trappen, trampen, stampen). [N 84 (1981)] || stampen: hoe zegt ge als ge iets met een voetbeweging verwijdert b.v. een hond weg... [ZND 42 (1943)]
III-1-2
|
| 22754 |
schoppen in het kaartspel |
schoppen:
sjepən (L416p Opglabbeek)
|
Schoppen: Hoe heet schoppen heer of schoppen koning (in een kaartspel)? [ZND 42 (1943)]
III-3-2
|
| 31694 |
schors |
schors:
šǫrs (L416p Opglabbeek)
|
De ruwe buitenkant van de stam en takken van een boom. In sommige dialecten bestaat er een verschil in benaming tussen de schors van naaldbomen en die van andere bomen. Het betreft de plaatsen Lommel (K 278), Paal (K 357), Neerpelt (L 312), Overpelt (L 314), Hechtel L 352), Peer (L 355), Neerglabbeek (L 367), Houthalen (L 414), Hasselt (Q 2) en Martenslinde (Q 89). De schors van de naaldboom wordt daar met een locale uitspraakvariant van het woordtype schil aangeduid, de schors van andere bomen met die van schors. In Lanklaar (L 422) wordt het woord schaal (šal) alleen voor de schors van dennenbomen gebruikt [N 50, 8a-b; N 75, 83d; A 45, 32; L 34, 54a-b; monogr.]
II-12
|
| 24492 |
schors (alg.) |
schil:
WBD/WLD ?
sjəl (L416p Opglabbeek),
schors:
sjors (L416p Opglabbeek),
WBD/WLD
sjors (L416p Opglabbeek)
|
De buitenste bekleding van een boom (schors, blek, blot, blast). [N 82 (1981)] || schors
III-4-3
|
| 24721 |
schors van naaldbomen |
schil:
WBD/WLD ?
sjəl (L416p Opglabbeek),
schors:
WBD/WLD
sjors (L416p Opglabbeek)
|
De schors van naaldbomen (schel). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 18283 |
schort zonder borststuk |
schommelscholk:
šuməlšolək (L416p Opglabbeek)
|
voorschoot, werkschort zonder borststuk scholk, skolk, veuring, veurik, sloep, sloof, slopschorteldoek] [N 24 (1964)]
III-1-3
|