| 22372 |
schommelen |
schommelen:
sjūmələ (L416p Opglabbeek)
|
Zich op een schommel heen en weer bewegen [ruien, touteren, sturen, knijen, koggen, boeizen, rijtakken, rijrepen, toetouteren, takkenijen, hoeierzen, beizen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 21277 |
school |
school:
šo.l (L416p Opglabbeek),
šōl (L416p Opglabbeek),
wechtər zēn noa də sjoal (L416p Opglabbeek)
|
de kinderen zijn naar school [ZND 42 (1943)] || De school. [ZND 12 (1926)] || school [RND]
III-3-1
|
| 21427 |
schoolhoofd |
bovenmeester:
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
būūvəmijstər (L416p Opglabbeek)
|
het hoofd van een lagere school [bovenmeester, bovenkoster] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 21286 |
schoolkinderen |
schoolkinderen:
ṣo.lkɛnər (L416p Opglabbeek)
|
schoolkinderen [RND]
III-3-1
|
| 19424 |
schoon, rein |
proper:
pruper (L416p Opglabbeek),
Det is mich get prupers: dat is met toch wat
pruper (L416p Opglabbeek),
zuiver:
zi-jver (L416p Opglabbeek),
zīējvər (L416p Opglabbeek)
|
netjes || proper || Rein, schoon, als gevolg van het poetsen (schoon, proper) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 20263 |
schoonzuster |
schoonzuster:
sjûûnzestər (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
zweegster:
cf. WNT s.v. "zweger"afl. zweegster. schoonzuster
zwīēchstər (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
schoonzuster [ZND 06 (1924)], [ZND 11 (1925)]
III-2-2
|
| 27939 |
schoor |
schoorbalk:
šōrbalǝk (L416p Opglabbeek),
windstijl:
węntstīl (L416p Opglabbeek)
|
Schuine steunbalk tussen muurstijlen en regels. Zie ook afb. 47. [N 4A, 52c; N 31, 45d]
II-9
|
| 27691 |
schoorsteen |
schouw:
šǫw (L416p Opglabbeek)
|
Hoge, gemetselde koker met één of meer kanalen, die dient om de rookgassen van een vuurhaard door middel van luchttrek buiten het gebouw af te voeren. Buitendaks wordt de schoorsteen tot boven de nok opgemetseld om geen last te hebben van valwinden die de rook in de kanalen kunnen terugdrijven. De schoorsteen wordt doorgaans afgedekt met een kap. Zie ook het lemma 'Schoorsteenkap'. In dit en de volgende lemmata wordt met de term 'schoorsteen' vooral de kamerschoorsteen bedoeld, een van baksteen opgetrokken rookleiding met mantel voor het inbrengen van de afvoerpijp van een losse kachel of haard. De kamerschoorsteen bestaat uit de stoel, het benedengedeelte waarvoor de kachel of haard wordt geplaatst, met daarboven de boezem waarin de verschillende rookkanalen zijn aangebracht. Het onderste gedeelte van de boezem wordt gewoonlijk met een houten of marmeren schoorsteenmantel bekleed, terwijl de bovenboezem wordt beraapt en √≤f afgepleisterd √≤f behangen. Om ruimte te sparen wordt een kamerschoorsteen soms in een hoek van het vertrek gemetseld. In Q 1 werd een dergelijke constructie een 'hoekschouw' ('hok'̄xō') genoemd. In Q 121 werd de schoorsteen tegelijk met het optrekken van de kelderwanden opgetrokken. Men noemde dit: 'een kamin voorbouwen' ('enǝ kamīn vȳrbǫwǝ'). Om verzekerd te zijn van een goede trek werd de binnenzijde van de schoorsteen ruw met specie bepleisterd. Deze werkzaamheden werden 'uitsmeren' ('ūsšmīrǝ') genoemd. [S 32; Gi 2, I; N 32, 25a; A 28, 22d; L 12, 9; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 19829 |
schoorsteengarnituur |
schouwgarnituur:
sjuiwgarnituur (L416p Opglabbeek)
|
schoorsteengarnituur
III-2-1
|
| 17648 |
schoot |
schoot:
schuuət (L416p Opglabbeek),
sjūūt (L416p Opglabbeek)
|
Schoot: de ruimte in de bocht tussen onderlijf en dijen bij een zittend persoon (schoot, slip, slup). [N 106 (2001)], [N 84 (1981)]
III-1-1
|