| 26405 |
schoepen van het onderslagrad |
schoffels:
šofǝls (L416p Opglabbeek)
|
Uit hout of ijzer vervaardigde schepborden die op de velg van het rad van onderslagmolens zijn bevestigd. Zie ook afb. 10 en 70. [Vds 22; Jan 69; Coe 63; Grof 87; A 43, 5]
II-3
|
| 19919 |
schoffel |
schoffel:
šofǝl (L416p Opglabbeek),
schoffeltje:
šofǝlkǝ (L416p Opglabbeek),
steekschoffel:
stēkšūfǝl (L416p Opglabbeek)
|
Gereedschap om onkruid af te snijden en om de grond los te maken. Het bestaat uit een soort mes dat met behulp van een lange steel door de grond geschoven wordt. [N 18, 18a en 48; JG 1a, 1b; A 47, 11a; monogr.; add. uit N 15, 6; N 18, 4 en 50; GV, K7]
I-5
|
| 33302 |
schoffelen, wieden met de schoffel |
schoffelen:
šofǝlǝ(n) (L416p Opglabbeek)
|
Met een schoffel de bovengrond tussen de plant(rijen) van een gewas zodanig bewerken dat de korstige bovenlaag verkruimeld en het onkruid afgestoken wordt. Het woord schoffelen kan niet alleen in absolute zin gebruikt worden, maar laat zich ook verbinden met een object. Dat kan de te bewerken grond zijn (akker, tuin, enz.) maar ook het te verzorgen gewas dat op die grond staat (bijv. de bieten), en ook het onkruid. [N 15, 6; JG 1a, 1b; monogr.; add. uit A 47, 11a]
I-5
|
| 33307 |
schoffelmachine |
schoffelmachine:
šofǝlmǝšin (L416p Opglabbeek)
|
Eenvoudig duwgereedschap dat eruit ziet als een kruiwagen en bestaat uit een (of meer) schoffelijzer(s) aan een wiel, waaraan twee duwburries zitten en waarmee tussen rijen planten wordt gewied. [N 18, 47; N J, 8a; monogr.; add. uit N 18, 51]
I-5
|
| 33782 |
schoft |
schocht:
šoxt (L416p Opglabbeek)
|
Het benige uitsteeksel dat de hals van de rug scheidt, het hoogste punt van de ruggegraat. Zie afbeelding 2.17. [JG 1a, 1b; N 8, 14, 32.1 en 32.2]
I-9
|
| 33970 |
schoftriem |
schoftriem:
šǫxtrēm (L416p Opglabbeek)
|
Leren band van het borsttuig die over de schoft van het paard heen loopt. [N 13, 53]
I-10
|
| 33977 |
schoftzadel |
zadel:
zā.l (L416p Opglabbeek)
|
Het zadel dat een tussen berries ingespannen paard op de schoft draagt. [JG 1a, 1b; N 13, 64a; monogr.]
I-10
|
| 34629 |
schokken |
schokken:
šǫkǝn (L416p Opglabbeek)
|
Gezegd van een kar of wagen. [N 17, 97]
I-13
|
| 17964 |
schokschouderen |
met de schouders trekken:
metə šøͅwərs trēkə (L416p Opglabbeek)
|
schouders ophalen [schokschoere] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 22371 |
schommel |
jok:
ein joek (L416p Opglabbeek),
ən jok (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
korte klank zoals in the book
joek (L416p Opglabbeek),
jokkel:
ən jokəl (L416p Opglabbeek),
schokkel:
/
shokkel (L416p Opglabbeek),
schommel:
sjūməl (L416p Opglabbeek)
|
/ [SND (2006)] || Het speeltuig bestaande uit een tussen twee neerhangende touwen bevestigde plank, waarop men door zich af te zetten heen en weer zweeft [schommel, touter, stuur, rui, boeis]. [N 88 (1982)] || Hoe heet het kinderspeeltuig, dat uit een plankje of bankje bestaat, welk door middel van twee touwen aan een dwarshout hangt en waarop het kind zich heen en weer laat zweven? [ZND 32 (1939)] || Schommel. [ZND 14 (1926)]
III-3-2
|