| 32644 |
schijfkouter |
serradelrel:
sǝdɛlrɛl (L416p Opglabbeek)
|
Het gewone of meskouter kan soms vervangen worden door een roterende stalen schijf die met een stang of gevorkt ijzer aan de ploegboom verbonden is. Dit vertikaal snijdende schijfkouter wordt vooral gebruikt bij het scheuren van weiland en het omploegen van groenbemestingsgewassen (serradella, lupine e.d.), dus in die gevallen waarin het gewone kouter te veel weerstand zou ondervinden. Dat het schijfkouter niet overal bekend is (geweest), blijkt uit een aantal op de vraag naar "schijfkouter" gegeven termen die op de ploegschaar, het kouter, de voorschaar, het ploegwieltje of het ploegvoetje wijzen. Deze opgaven werden naar de betreffende lemmata overgebracht. De overige opgaven, die als "schijfkouter" konden worden geduid, zijn in dit lemma onder A. bijeengezet. Blijkens de toelichting bij de opgaven die n.a.v. de vraag naar "rōsmes" (N 11, 33g) werden verstrekt en die onder B. zijn opgenomen, kon de ploeg voor het snijden van graszoden e.d. ook op een andere wijze dan met een schijfkouter worden toegerust, zoals een niet roterend mes, of een mes dat aan de ploegvoet bevestigd werd. De toelichting bij rusmes voor L 270 lijkt echter te wijzen op voorschaar, terwijl die voor L 312 aan het schijfkouter doet denken. Het is niet uitgesloten dat met enige van de bij A. genoemde mes-samenstellingen in werkelijkheid niet het schijfkouter bedoeld wordt en dat de onder B. genoemde termen soms de voorschaar of een variant daarvan betreffen. Men zie ook de lemmata mestinlegger en voorschaar. [N 11, 33g + k; N 11A, 91; A 26, 4b; Lu 4, 4b]
I-1
|
| 23914 |
schijnheilig add. |
schijnheilige, een ~:
sjīēnhijligə (L416p Opglabbeek)
|
Schijnheilig [schienhèllig]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 34271 |
schijten |
kakken:
kakǝ (L416p Opglabbeek),
schijten:
šitǝ (L416p Opglabbeek)
|
Vaste ontlasting hebben, gezegd van vee. [JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 33496 |
schil van een vrucht |
schil:
sjòl (L416p Opglabbeek),
WBD/WLD
sjəl (L416p Opglabbeek)
|
De zachte huid van een vrucht (schil, schel, pel). [N 82 (1981)] || schil, bast
I-7
|
| 30195 |
schilddak |
kapdak met twee koppen:
kap˱dak męt [twee] kęp (L416p Opglabbeek)
|
Dak bestaande uit vier schilden. Een schilddak kent dus geen topgevels. Zie ook afb. 48a-b. [N 4A, 24a; div.]
II-9
|
| 30569 |
schilder |
schilder:
šelǝr (L416p Opglabbeek)
|
Iemand die van schilderen zijn beroep maakt. Bij het 'technisch schilderen', het bedekken van oppervlakten met verf ter conservering en kleurgeving, onderscheidt men de huis-, decoratie- en rijtuigschilder. In L 210 plaatste de huisschilder bij de bouw van een nieuw huis ook de ruiten. [Wi 51; L 44, 21b; N 67, 98a; monogr.]
II-9
|
| 19532 |
schilmesje, aardappelmesje |
aardappelenmesje:
ɛ̄rpələmɛskə (L416p Opglabbeek),
aardappelmes:
ɛ̄rpəlmeͅs (L416p Opglabbeek)
|
mes waarmee aardappelen worden geschild [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 21086 |
schimmel |
schimmel:
šemǝl (L416p Opglabbeek),
voesschimmel:
vū.sšemǝl (L416p Opglabbeek)
|
Paard met een geheel of overheersend witte of grijsachtige vacht. Naarmate de leeftijd vordert, neemt het wit toe; schimmels worden niet geboren, ze ontstaan mettertijd. De vosschimmel is wit met rode of bruinachtige vlekken. [JG 1a, 1b; N 8, 63a en 63b; S 31]
I-9
|
| 21244 |
schip |
schip:
eͅin šīp, šīp (L416p Opglabbeek),
sjīp (L416p Opglabbeek),
ši.əp (L416p Opglabbeek),
twī sjīp (L416p Opglabbeek)
|
een schip, twee schepen [ZND 42 (1943)], [ZND A2 (1940sq)] || schip [RND]
III-3-1
|
| 21248 |
schipper |
schipper:
šipər (L416p Opglabbeek)
|
schipper [RND]
III-3-1
|