| 19070 |
schelden, schimpen |
schampen:
sjampe (L416p Opglabbeek),
schelden:
Samenst. sjelmechtig, sjelmeri-j
sjelle (L416p Opglabbeek),
sjamfoeteren:
fr. Jean foutre
sjamfoetere (L416p Opglabbeek)
|
opspelen, uitschelden || schelden, uitschieten in || schimpen
III-1-4
|
| 33440 |
schelftakkenbossen, schelfhorden |
fascinen:
fǝzīnǝ (L416p Opglabbeek)
|
Boven op de beide balkenlagen van de schelf worden ter vorming van de zoldering (ter afdichting) takkenbossen gespreid. Het gebruik van takkenbossen is bij lange na niet algemeen. Een aantal benamingen die op de gebruikte takjes of roeden duiden, kunnen ook in gebruik zijn voor de schelfhorden als deze van takjes of roeden gevlochten worden. De schelfhorden bestaan uit gevlochten matten van twijgen of uit oude lappen stof. Om de afdichting te verbeteren wordt soms leem of stro gebruikt. [N 4A, 13c; N 4, 70]
I-6
|
| 18952 |
schelm |
schelm:
Det hauw mich dèè sjelm fi-jn gelapt
sjelm (L416p Opglabbeek)
|
slimme guit
III-1-4
|
| 24897 |
schemeren |
grauwen:
het grauwen
t ràwə (L416p Opglabbeek),
schemeren:
šīmərə (L416p Opglabbeek),
schemeren (als het s morgens licht wordt)
šīəmərə (L416p Opglabbeek)
|
schemeren; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 22 (1963)] || schemering, de overgang van licht naar donker [grouwe, griebelegrouwe] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 17728 |
schemeren van de ogen |
glinsteren:
t xlenstərt mex fīr mən øͅygə (L416p Opglabbeek),
schemeren:
t šemərt mex fīr min oͅygə (L416p Opglabbeek)
|
schemeren voor de ogen, sterretjes zien [mijn oogen schiemere] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 20510 |
schenkel |
hees:
hiees (L416p Opglabbeek),
ijsbeen:
wordt samen met ander vlees van mindere kwaliteit en het bloed gemengd met boekweitmeel, verwerkt tot bloedworst
ī.s˂beͅ.i̯n (L416p Opglabbeek),
schenk:
sjèjnk (L416p Opglabbeek),
schonk:
schonk (L416p Opglabbeek),
sjònk (L416p Opglabbeek),
schonkenheesje:
sjònkehiêske (L416p Opglabbeek)
|
schenkel, gedeelte van de achterpoot van een varken tussen de ham en de voet [Goossens 1a (1955)] || schenkel; Hoe noemt U: Het onderste gedeelte van de achterpoot van een rund met het vlees eraan (schinkel, schenkel, bout, schenk, schonk) [N 80 (1980)] || schenkelhieltje van de ham
III-2-3
|
| 19564 |
schenkkan |
bierkruik:
bērkryək (L416p Opglabbeek),
jeneverkruik:
šənēvərkryək (L416p Opglabbeek),
karaf:
Tafelfles voor water, wijn, likeur
kraf (L416p Opglabbeek),
v.
kraf (L416p Opglabbeek),
koffiekruik:
koͅfikryək (L416p Opglabbeek),
kruik:
kryək (L416p Opglabbeek),
melkkruik:
meͅləkryək (L416p Opglabbeek),
waterkruik:
wāterkryək (L416p Opglabbeek)
|
karaf || karaf in het algemeen [N 20 (zj)] || karaf; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden (bierkrachtje, jeneverkrachje); betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 26652 |
schep |
schup:
šęp (L416p Opglabbeek)
|
De schep waarmee het scheploon genomen werd. De schepper die men in l 415 gebruikte, was een maat die geijkt moest worden. In Q 99* was geen schep aanwezig; de molenaar nam 5 kg per 100. [N O, 38j; Jan 268 add.; Coe 253 add.; Grof 292; monogr.]
II-3
|
| 25257 |
schepel, maat van 100 liter |
vat:
(bijv. 60 liter bier).
vaat (L416p Opglabbeek)
|
inhoudsmaat: vat; een vochtmaat van ongeveer 1 hl.
III-4-4
|
| 26654 |
schepkist |
duivelskist:
dī.vǝlskist (L416p Opglabbeek)
|
De kist waarin de molenaar het schepmeel verzamelde. Het woordtype duivelskist was een schertsende benaming waarmee werd gesuggereerd dat de molenaar de inhoud van de kist op oneerlijke wijze had verkregen. [Jan 273; Coe 257; Grof 293; JG 1a; JG 1b; monogr.]
II-3
|