e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
schelden, schimpen schampen: sjampe (Opglabbeek), schelden: Samenst. sjelmechtig, sjelmeri-j  sjelle (Opglabbeek), sjamfoeteren: fr. Jean foutre  sjamfoetere (Opglabbeek) opspelen, uitschelden || schelden, uitschieten in || schimpen III-1-4
schelftakkenbossen, schelfhorden fascinen: fǝzīnǝ (Opglabbeek) Boven op de beide balkenlagen van de schelf worden ter vorming van de zoldering (ter afdichting) takkenbossen gespreid. Het gebruik van takkenbossen is bij lange na niet algemeen. Een aantal benamingen die op de gebruikte takjes of roeden duiden, kunnen ook in gebruik zijn voor de schelfhorden als deze van takjes of roeden gevlochten worden. De schelfhorden bestaan uit gevlochten matten van twijgen of uit oude lappen stof. Om de afdichting te verbeteren wordt soms leem of stro gebruikt. [N 4A, 13c; N 4, 70] I-6
schelm schelm: Det hauw mich dèè sjelm fi-jn gelapt  sjelm (Opglabbeek) slimme guit III-1-4
schemeren grauwen: het grauwen  t ràwə (Opglabbeek), schemeren: šīmərə (Opglabbeek), schemeren (als het s morgens licht wordt)  šīəmərə (Opglabbeek) schemeren; inventarisatie uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 22 (1963)] || schemering, de overgang van licht naar donker [grouwe, griebelegrouwe] [N 22 (1963)] III-4-4
schemeren van de ogen glinsteren: t xlenstərt mex fīr mən øͅygə (Opglabbeek), schemeren: t šemərt mex fīr min oͅygə (Opglabbeek) schemeren voor de ogen, sterretjes zien [mijn oogen schiemere] [N 10 (1961)] III-1-1
schenkel hees: hiees (Opglabbeek), ijsbeen: wordt samen met ander vlees van mindere kwaliteit en het bloed gemengd met boekweitmeel, verwerkt tot bloedworst  ī.s˂beͅ.i̯n (Opglabbeek), schenk: sjèjnk (Opglabbeek), schonk: schonk (Opglabbeek), sjònk (Opglabbeek), schonkenheesje: sjònkehiêske (Opglabbeek) schenkel, gedeelte van de achterpoot van een varken tussen de ham en de voet [Goossens 1a (1955)] || schenkel; Hoe noemt U: Het onderste gedeelte van de achterpoot van een rund met het vlees eraan (schinkel, schenkel, bout, schenk, schonk) [N 80 (1980)] || schenkelhieltje van de ham III-2-3
schenkkan bierkruik: bērkryək (Opglabbeek), jeneverkruik: šənēvərkryək (Opglabbeek), karaf: Tafelfles voor water, wijn, likeur  kraf (Opglabbeek), v.  kraf (Opglabbeek), koffiekruik: koͅfikryək (Opglabbeek), kruik: kryək (Opglabbeek), melkkruik: meͅləkryək (Opglabbeek), waterkruik: wāterkryək (Opglabbeek) karaf || karaf in het algemeen [N 20 (zj)] || karaf; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden (bierkrachtje, jeneverkrachje); betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] III-2-1
schep schup: šęp (Opglabbeek) De schep waarmee het scheploon genomen werd. De schepper die men in l 415 gebruikte, was een maat die geijkt moest worden. In Q 99* was geen schep aanwezig; de molenaar nam 5 kg per 100. [N O, 38j; Jan 268 add.; Coe 253 add.; Grof 292; monogr.] II-3
schepel, maat van 100 liter vat: (bijv. 60 liter bier).  vaat (Opglabbeek) inhoudsmaat: vat; een vochtmaat van ongeveer 1 hl. III-4-4
schepkist duivelskist: dī.vǝlskist (Opglabbeek) De kist waarin de molenaar het schepmeel verzamelde. Het woordtype duivelskist was een schertsende benaming waarmee werd gesuggereerd dat de molenaar de inhoud van de kist op oneerlijke wijze had verkregen. [Jan 273; Coe 257; Grof 293; JG 1a; JG 1b; monogr.] II-3