e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
schaduw, lommer schaai: sjááj (Opglabbeek), scheem: Opm. vaker worden gebruikt: koelesjaai en killesjaai.  sjèèm (Opglabbeek) lommer, schaduw || schaduw (lommer) [RND] III-4-4
schafttijd eten: no.d ɛ.tə (Opglabbeek) schafttijd [RND] III-3-1
schande schande: eͅin šan (Opglabbeek), sján (Opglabbeek) Een schande. [ZND A1 (1940sq)] || Schande [scha.nd]. [N 96D (1989)] III-3-3
schapenboer schaapsboer: šō.bsbōr (Opglabbeek) Landbouwer wiens voornaamste bedrijfstak de schapenkweek is. [JG 1a, 1b] I-12
schapenscheerder schaapsscheerder: šǭpssxērdǝr (Opglabbeek) Persoon die beroepsmatig schapen scheert. Volgens de informant van L 265 (Meijel) kan de schapenscheerder ook de schapenboer zelf zijn. [N 77, 47] I-12
schapenvet schaapsreut: šōͅpsrēt (Opglabbeek), veer: vēͅr (Opglabbeek) Ongesmolten varkensvet, reuzel, (vlieze, vieze, vizze, reuzel?) [N 16 (1962)] || Schapevet (ongel?) [N 16 (1962)] III-2-3
scharrelen dabben: dabǝ (Opglabbeek), dabǝn (Opglabbeek), scharren: sǭrǝ (Opglabbeek), šarǝn (Opglabbeek) De kippen dabben en scharren in de grond om wormen, insecten en dergelijke te vinden. [N 19, 61a; L 33, 20; monogr.] I-12
schatten schatten: sjátə (Opglabbeek) het gewicht van iets schatten [koersen, prijzen] [N 89 (1982)] III-3-1
schede schede: šɛi̯ (Opglabbeek) schede, lederen ~ waarin een mes wordt bewaard [N 20 (zj)] III-2-1
schede van de koe vazel: vā.zǝl (Opglabbeek) Uitwendig geslachtsorgaan van de koe. [N C, 13; JG 1a, 1b; A 48A, 47b; monogr.] I-11