| 33342 |
schaapherder |
schaapsherder:
sxǭpshęrdǝr (L416p Opglabbeek),
šǭpshɛrdǝr (L416p Opglabbeek),
scheper:
sxīpǝr (L416p Opglabbeek),
šīǝ.pǝr (L416p Opglabbeek),
šīǝpǝr (L416p Opglabbeek)
|
[A 48, 18a; L 1, a-m; L 26, 32a; S 13; Wi 2; monogr.]Herder die de schapen hoedt, al of niet in dienst van een baas. Het lemma ''schaapherder'' is reeds behandeld in wld I.6 (1.3.16). Onderstaande gegevens zijn een aanvulling daarop. [N 78, 1; JG 1a, 1b; N 19, L 292 add.; monogr.]
I-12, I-6
|
| 33403 |
schaapsruif |
schaapsreep:
šǭpsręi̯p (L416p Opglabbeek),
schaapsruif:
šǭpsręi̯f (L416p Opglabbeek)
|
Het samenstel van latten, in schuine stand tegen de wand aangebracht, waaruit de schapen het hooi kunnen eten. Zie ook de toelichting bij de lemmata "ruif voor de koeien" (2.2.19) en "paarderuif" (2.3.2). [N 5A, 45b; R 14, 23n; monogr.]
I-6
|
| 34427 |
schaapsschaar |
schaap(s)scheer:
šǭpšīr (L416p Opglabbeek)
|
Bepaalde schaar waarmee men schapen scheert. [N 18, 119; monogr.]
I-12
|
| 28873 |
schaar |
gewone schaar:
gewone schaar (L416p Opglabbeek),
knipschaar:
knipschaar (L416p Opglabbeek),
scheer:
sxiǝr (L416p Opglabbeek),
šīr (L416p Opglabbeek),
šīǝr (L416p Opglabbeek)
|
Schaar, gereedschap van kleermaker en naaister. Een goede schaar is gemaakt van staal en ijzer. Het snijvlak van de schaar moet van staal vervaardigd zijn. Het bovenoog, waarin de duim rust, is kleiner en ronder dan het onderoog waarin de vingers rusten (Papenhuyzen III, pag. 9). In dit lemma zijn de vragen ø̄Hoe noemt u de schaar in het algemeen?ø̄ (N 59, 16a), ø̄Hoe noemt u de grote schaar?ø̄ (N 59, 16b), en ø̄Hoe noemt u de kleine schaar?ø̄ (N 59, 16c) samengevoegd. Binnen dit lemma zijn de antwoorden onderverdeeld in drie groepen die beantwoorden aan de driedelige vraagstelling. Zie afb. 8. [N 59, 16a; N 59, 16b; N 59, 16c; N 62, 54; L 45, 14; L A2, 317; Gi 1.IV, 22; MW; S 30; monogr.]
II-7
|
| 19473 |
schaarde |
hap:
hàb (L416p Opglabbeek)
|
Kerf of breuk in het scherp van een mes (schaard, schaar, schaal) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 22314 |
schaats |
ijsschaats:
i:sja:ts (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt men de voorwerpen, bestaande uit een ijzer en een houten of metalen voetrust, die men onder de schoenen bindt om op het ijs te kunnen rijden? [Lk 01 (1953)]
III-3-2
|
| 22313 |
schaatsen |
schaatsen:
sjaatse (L416p Opglabbeek)
|
Zich voortbewegen op schaatsen [schaatsen, schaverdijnen]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 24432 |
schaatsenrijder |
poppensnijder:
poepesniejer (L416p Opglabbeek)
|
schaatsertje: Hoe noemt u het insect dat met schokkende bewegingen over het water lijkt te schaatsen? Het lijf van het insect staat op lange poten op het water. [N100 (1997)]
III-4-2
|
| 22866 |
schaatsijzer |
roede:
ro:i (L416p Opglabbeek)
|
Noemt men het stalen onderdeel, dat over het ijs glijdt en dat geregeld geslepen moet worden, met een afzonderlijk woord? Zo ja, hoe luidt dit? [Lk 01 (1953)]
III-3-2
|
| 18181 |
schabbernak [znd 42] |
schabbernak:
Neem heb bij zijn kraag.
pak əm maet zīēnə sjabərnak (L416p Opglabbeek)
|
Kent ge een woord schabbernak ? uitspraak + betekenis [ZND 42 (1943)]
III-1-3
|