| 23288 |
sacramentsprocessie |
sacramentsprocessie (<lat.):
sacrəmeͅntsproͅseͅsi (L416p Opglabbeek),
sakramentsprecèssie (L416p Opglabbeek),
sakremenspersessīē (L416p Opglabbeek)
|
De processie die op Sacramentsdag wordt gehouden: Sacramentsprocessie, grote processie. [N 96C (1989)] || Hoe heet de processie die s zondags na H. Sacramentsdag wordt gehouden? [ZND 40 (1942)]
III-3-3
|
| 23321 |
sacristie |
sacristie:
sakerstie (L416p Opglabbeek)
|
Het tegen de kerk aangebouwde vertrek of gebouwtje, waar de priester en de dienaren zich voor de dienst gereedmaken [gerfkamer, sakristij, sacristie?]. [N 96A (1989)]
III-3-3
|
| 28592 |
salpeter |
salpeter:
salpētǝr (L416p Opglabbeek)
|
Chemische stof waarmee bijen bedwelmd worden. [N 63, 77d, N 63, 77c; N 63, 77b; JG 1b]
II-6
|
| 21571 |
salueren |
salueren (<fr.):
de soldaoten moote saluère (L416p Opglabbeek),
saluère (L416p Opglabbeek),
saluèren (L416p Opglabbeek)
|
De soldaten moeten groeten (met de hand aan de muts) [ZND 32 (1939)] || groeten van soldaten (salueren) [N 102 (1998)]
III-3-1
|
| 26619 |
samenklonteren |
klonteren:
klǫntǝrǝ (L416p Opglabbeek)
|
Samenpakken, samenklonteren van meel. [JG 1a]
II-3
|
| 21332 |
samenspannen |
aan hetzelfde koordje trekken:
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
áánt zélfdə kéértjə trekkə (L416p Opglabbeek),
bijeendoen:
die twie (doon) bie ein (L416p Opglabbeek),
bijeenhouden:
die twie hauwe beijn (L416p Opglabbeek)
|
Die twee heulen samen (spannen samen tegen de anderen) [ZND 26 (1937)] || samenspannen met iemand [heulen, houden] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 23642 |
sanctus |
sanctus (lat.):
sanctus (L416p Opglabbeek)
|
Het (vaste) misgezang dat op de prefatie volgt, het sanctus. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 18294 |
sandaal |
sandaal:
sandāl (L416p Opglabbeek)
|
sandaal [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 24682 |
sap in planten |
sap:
WBD/WLD
sààp (L416p Opglabbeek)
|
Het vocht dat zich in planten of plantendelen bevindt of eruit verkregen is (sap, tocht). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33584 |
sap van een vrucht |
sap:
WBD/WLD
sààp (L416p Opglabbeek)
|
Het vocht dat zich in planten of plantendelen bevindt of eruit verkregen is (sap, tocht). [N 82 (1981)]
I-7
|