| 23860 |
rustaltaar |
rustaltaar:
rəstaltaar (L416p Opglabbeek)
|
Een met bloemen versierd altaar dat langs de processieroute geplaatst is, rustaltaar [mei-altaar, heiligenhuisken, hilliejehuus-je]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 17832 |
rusten |
rusten:
rèùstə (L416p Opglabbeek)
|
rusten [ZND A1 (1940sq)]
III-1-2
|
| 21708 |
rusthuis |
oudemannetjeshuis:
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
out mennəkəshūus (L416p Opglabbeek)
|
een instelling waar oude mensen kunnen wonen en/of verzorgd worden [oude-mannenhuis, pekenshuis] [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 28553 |
rustperiode in de winter |
winterslaap:
winterslaap (L416p Opglabbeek)
|
Periode van inactiviteit der bijen tijdens de winter. Met uitzondering van de darren overwintert het gehele bijenvolk. Een slaap is het niet te noemen. Er wordt namelijk wel voedsel opgenomen en verteerd, zij het in uiterst kleine hoeveelheden. Er zit ook enige beweging in de tros bijen. Hoe kouder het wordt, hoe dichter de bijen opeendringen. In het midden zit de koningin, omringd door een aantal jonge bijen. [N 63, 54a; N 63, 54b]
II-6
|
| 21364 |
ruw, hard |
ruw:
deͅs to͂ͅch ein ryw bīēst (L416p Opglabbeek),
ruw (L416p Opglabbeek)
|
dat is een ruwe kerel [ZND 42 (1943)] || zonder fijn gevoel, hard [rouw, ruw] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 28655 |
ruwe honing |
ruwe, ongezuiverde honing:
ruwe, ongezuiverde honing (L416p Opglabbeek)
|
Raat, broed, stuifmeel en honing vormen tezamen ruwe honing. Deze wordt wel eens als voer voor de bijen gebruikt. [N 63, 115d]
II-6
|
| 29731 |
ruwe stenen |
zonbrikken:
zunbrekǝn (L416p Opglabbeek)
|
In de zon gedroogde, maar nog niet gebakken stenen. In de zon gedroogde stenen werden soms gebruikt voor binnenmuren. Voorwaarde was dat ze niet met water in aanraking kwamen. Volgens de invuller uit Q 83 waren de stenen voldoende gedroogd, wanneer zij wit uitsloegen. Men zei dan: de stenen zijn wit (d\ stēn zen wet). [N 30, 53c; N 98, 107; N 98, 164; monogr.; S 37 add.; N 31, 14 add.]
II-8
|
| 21547 |
ruïneren |
runeren (<fr.):
vernielen , opdoen door drank of verkwisting
rənywēͅrə (L416p Opglabbeek),
verruneren (<fr.):
hij hit me koren vereneweert
vereneweeren (L416p Opglabbeek),
vernielen , opdoen door drank of verkwisting
vereͅnywēͅrə (L416p Opglabbeek)
|
woord dat van het Frans ruiner komt (renuweren, verreneweren): uitspraak en betekenis [ZND 41 (1943)]
III-3-1
|
| 21081 |
sabbelen |
slabberen:
slabərə (L416p Opglabbeek)
|
sabbelen, bijv. op een grassprietje [sebbele, zabbere, zeewere] [N 10 (1961)]
III-2-3
|
| 23812 |
sacramentsdag |
sacramentsdag:
sakramentsdag (L416p Opglabbeek),
sakrementsdāāg (L416p Opglabbeek)
|
Donderdag na de eerste zondag na Pinksteren, Sacramentsdag [papkêrremes, Vroonlaichnaam]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|