| 23730 |
rozenkransmaand |
rozenkransmaand:
ruuzekransmoond (L416p Opglabbeek),
ruuzenkransmaont (L416p Opglabbeek)
|
De Rozenkransmaand (d.w.z. oktober). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 20846 |
rozijn |
rozijn:
WBD/WLD
rəzīēn (L416p Opglabbeek)
|
Een gedroogde druif (rozijn, serzijn). [N 82 (1981)]
III-2-3
|
| 17767 |
rug |
rug:
reg (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
reikg (L416p Opglabbeek),
rejg (L416p Opglabbeek),
ręq (L416p Opglabbeek),
rugstrang:
rękstrā.ŋk (L416p Opglabbeek)
|
de rug [ZND 29 (1938)] || rug [ZND m] || Zie afbeelding 2.29. [JG 1a, 1b; N 8, 12]
I-9, III-1-1
|
| 32882 |
rug van het blad van de zeis |
rug:
ręk (L416p Opglabbeek)
|
De opstaande stevige rand aan de buitenzijde van het blad van de zeis. Zie afbeelding 5, nummer 5. [N 18, 68e; JG 1a, 1b]
I-3
|
| 19404 |
rug van het lemmer |
botte kant:
bòtte kànt (L416p Opglabbeek),
bòttə kànt (L416p Opglabbeek),
rug:
réG (L416p Opglabbeek)
|
De niet-scherpe zijde van een mes (rug, botte kant) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 33198 |
rug, aangeaard stuk |
rug:
ręx (L416p Opglabbeek)
|
De verhoogde rug of wal die ontstaat bij het aanaarden van de aardappelen. Bij holvoor(de) heeft betekenisoverdracht plaatsgevonden; het is eigenlijk de open voor naast de rug. [N 12, 27; monogr.]
I-5
|
| 29078 |
rugband |
band:
band (L416p Opglabbeek)
|
De band achter in de (driedelige) rug van een colbert. Vergelijk de lemmata ɛplatstukɛ en ɛjukstukɛ.' [N 59, 92]
II-7
|
| 17640 |
ruggengraat |
ruggengraat:
regəgrōͅt (L416p Opglabbeek),
ruggenstrang:
regəstraŋk (L416p Opglabbeek)
|
rug: ruggegraat [ruggestrang, ruggegraat] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17641 |
ruggenwervel |
wervel:
wøͅrvəl (L416p Opglabbeek)
|
[N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 33989 |
rugnet |
vliegenkleed:
[vliegenkleed] (L416p Opglabbeek)
|
Vliegennet dat over de rug van het paard wordt gehangen. Een groot aantal opgaven zijn benamingen voor het vliegennet in het algemeen. Zie voor de fonetische documentatie het lemma Vliegennet [JG 1a; N 13, 83c]
I-10
|