| 24066 |
rouw dragen |
rouw dragen:
ruiwdragə (L416p Opglabbeek)
|
Rouw dragen. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20421 |
rouwbrief |
doodsbrief:
dūūdsbrēēf (L416p Opglabbeek)
|
De rouwbrief. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 24065 |
rouwkrans |
krans:
krans (L416p Opglabbeek)
|
De krans die op de kist wordt gelegd [krants]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20446 |
rouwsluier |
voile:
voillə (L416p Opglabbeek)
|
een rouwsluier, voile, falie [N 96D (1989)]
III-2-2
|
| 20447 |
rouwsluier aan een hoed |
rouwband:
røuwbaont (L416p Opglabbeek)
|
rouwsluier(s) aan een hoed [N 25 (1964)]
III-2-2
|
| 28078 |
roven |
roven:
roven (L416p Opglabbeek)
|
Het nemen van honing door bijen bij andere volken. Bepaalde bijen zijn roofziek van aard en zij proberen honing te bemachtigen overal waar ze die kunnen aantreffen. De aangevallenen proberen de woning wel te verdedigen maar lang niet altijd lukt dat. Overwinnen de rovers, dan wordt heel de korf of kast leeggedragen. Roven kan leiden tot veldslagen tussen bijenvolken, waarbij niet veel bijen overleven. [N 63, 67a; N 63, 67b; Ge 37, 95]
II-6
|
| 21330 |
royaal |
royaal (<fr.):
ze leven royaal = onbekrompen
rojāl (L416p Opglabbeek)
|
Royaal: uitspraak en betekenis (mild, onbekrompen, volop, enz.). [ZND 41 (1943)]
III-3-1
|
| 23721 |
rozenhoedje |
noster:
noster (L416p Opglabbeek),
rozenkrans:
ruuzekrans (L416p Opglabbeek)
|
Een Rozenhoedje (waarbij men 1 maal het bidsnoer langs gaat). [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23716 |
rozenkrans |
noster:
noster (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
paternoster:
pater noster (L416p Opglabbeek)
|
De rozenkrans, het bidsnoer [bid-vr-ons?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 23722 |
rozenkransgebed |
ganse noster:
ganse noster (L416p Opglabbeek),
hele noster:
hiele noster (L416p Opglabbeek)
|
Het Rozenkransgebed (hierbij gaat men 3 maal het bidsnoer langs) . [N 96B (1989)]
III-3-3
|