| 20516 |
rookvlees |
gedroogd vlees:
kalfsvlees
gedrīēgd vlèjs (L416p Opglabbeek),
gerookt vlees:
geruikt vlèjs (L416p Opglabbeek),
schonk:
schonk (L416p Opglabbeek),
sjònk (L416p Opglabbeek)
|
rookvlees; Hoe noemt U: Een stuk gerookt vlees (krep, rookvlees) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 20676 |
room |
room:
rou̯m (L416p Opglabbeek),
ruim (L416p Opglabbeek),
rø̜̄u̯m (L416p Opglabbeek),
rø̜m (L416p Opglabbeek),
rø͂ͅi̯m (L416p Opglabbeek),
rǫu̯m (L416p Opglabbeek)
|
De room van de melk (de zaon?) [N 16 (1962)] || Het vette deel van de ongekookte melk dat boven komt drijven, als men de melk rustig laat staan. [N 6, 15a; N 16, 17; L 6, 15; L 14, 22; JG 1a, 1b, 2c; A 7, 15; A 39, 7a; Wi 53; Gwn 10, 1; monogr.] || room
I-11, III-2-3
|
| 19588 |
roompot |
boterteil:
bȳǝtǝrtēi̯l (L416p Opglabbeek),
roompot:
røͅi̯mpoͅt (L416p Opglabbeek),
bruine hoge
rø͂ͅi̯mpoͅt (L416p Opglabbeek)
|
pot, stenen ~; inventarisatie benamingen voor grote ~~ voor bijv. zuurkool e.d., kleinere ~~ voor boter, eieren e.d. (pijppot, timperpot); betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || Stenen pot waarin men de room bewaart. [N 12, 59; A 7, 15; JG 1d, 2c; monogr.]
I-11, III-2-1
|
| 34243 |
roomschotel |
roombak:
rø̜̄u̯mbak (L416p Opglabbeek)
|
Aarden schotel waarin men de versgemolken melk enige tijd laat staan, totdat de room bovendrijft. Vergelijk ook het lemma ''aarden pot'' in wld II.8, blz. 25-26. [N 12, 60; JG 1c, 2c; add. uit N 5A (I]
I-11
|
| 18100 |
roos (rode uitslag) |
roos:
rūūs (L416p Opglabbeek)
|
huiduitslag, Rode ~ met jeuk (roos, bresil, zomerbrand). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20084 |
roos (rosa) |
roos:
ryzə (L416p Opglabbeek),
roosje:
dim.
riêske (L416p Opglabbeek)
|
roos || rozen [RND]
III-2-1
|
| 22426 |
roos van de schietschijf |
roos:
ry(3)̄s (L416p Opglabbeek)
|
De ronde plek die dient als middelpunt van een schietschijf [roos, gaudeaan]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 33376 |
rooster in de mestgoot |
rooster:
rēstǝr (L416p Opglabbeek)
|
Soms ligt onder in de mestgoot een rooster, een plank of plaat met gaten, die de mest tegenhoudt en alleen de gier moet doorlaten. Onder dit rooster bevindt zich een goot die met de gierput in verbinding staat. Zie ook afbeelding 10.A.e bij het lemma "koeienstand" (2.2.23). [N 5A, 42b]
I-6
|
| 20537 |
roosteren |
roosteren:
ruustere (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
rūūstere (L416p Opglabbeek)
|
gesneden brood roosteren || op een rooster braden || roosteren; Hoe noemt U: Op een rooster braden (roosteren, horsen, hersen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 30030 |
roosterschuif |
schuif:
šīf (L416p Opglabbeek)
|
De schuif waarmee de uitstroomopening van de blusbak kan worden afgesloten. Voor de schuif bevindt zich doorgaans een rooster waarmee ongebluste deeltjes in de kalk kunnen worden opgevangen. Dergelijke harde stukjes werden in Q 121 'mannetjeren' ('m'nšǝrǝ') genoemd. [N 30, 32d; monogr.]
II-9
|