| 22443 |
rommelpot |
rommelpot:
ruməlpoͅt (L416p Opglabbeek)
|
De pot die met een (varkens)blaas is overspannen; door het midden ervan is een rietje gestoken dat men vochtig maakt en op en neer beweegt, wat de blaas in trilling brengt [rommelpot, hoeperpot, foeperpot, foekepot]. [N 88 (1982)]
III-3-2
|
| 33473 |
rond gat boven in de schuurgevel |
lochtgat:
lǫxt˲gāt (L416p Opglabbeek),
(mv)
lōxt˲gātǝ (L416p Opglabbeek),
tochtgat:
(mv)
tǫxt˲gātǝr (L416p Opglabbeek),
uilegat:
ilǝgāt (L416p Opglabbeek)
|
Boven in de korte gevel van een schuur zijn een of meer ronde openingen zonder glas die dienen ter belichting en beluchting en ook als toegang voor de uil die dan in de schuur muizen kan vangen. In L 211, 290 en 318b is het een halfronde opening. Zie ook het lemma "gat in een klein dagschild" (4.2.10). Het materiaal is ondergebracht in een gecombineerde woord- en klankkaart, te vergelijken met de kaart die is gemaakt van het materiaal van het lemma "kippenuitgang" (kaart 35) en bevat de geografische verspreiding van de benamingen kot, gat en lok, telkens met opgave waar de klinker lang en kort is. De termen almsgat en schallok slaan eigenlijk op de galmgaten van de kerktoren. [N 4A, 44a; N 5A, 73b; N F, 50c; monogr.; add. uit N 64, 153]
I-6
|
| 20705 |
rond wittebrood |
mik:
mek (L416p Opglabbeek),
wegge:
ouder.
weͅgə (L416p Opglabbeek)
|
Plat, rond wittebrood (plats?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33012 |
rondom zaaien, rondom het stuk zaaien |
rondzaaien:
rǫ.nt[zaaien] (L416p Opglabbeek)
|
Er zijn boeren die maar met één hand zaaien. Zij hebben ofwel de vaardigheid van het zwaaien niet in beide handen, ofwel willen liever niet na elke baan de arm waarmee ze het zaaikleed ophouden, wisselen. Zij kunnen niet langs dezelfde strook terugkeren, maar moeten bij het zaaien rondom de akker gaan, in steeds kleinere kringen. Deze handeling is hier bedoeld. [JG 1a; monogr.]
I-4
|
| 17931 |
rondslenteren, ronddolen |
brakken:
(brakken)
bragə (L416p Opglabbeek),
rondbrakken:
ront(šə) bragə (L416p Opglabbeek),
rondschavokken:
rontšəvokə (L416p Opglabbeek),
rondzwadderen:
rŏndzwadərə (L416p Opglabbeek),
schabrakken:
šəbragə (L416p Opglabbeek)
|
lopen: zonder doel rondlopen (over straat) [vendele, zwaddere, rakke] [N 10 (1961)] || ronddolen [ZND 42 (1943)]
III-1-2
|
| 34597 |
rongblokken |
rongblokken:
roŋblęk (L416p Opglabbeek)
|
Twee tot vier dwarsbalken die zowel bij de hoogkar met ladders als bij de langwagen voorkomen en waarin op de uiteinden de rongen gestoken worden. Bij de hoogkar gaat het om blokken waarop de ladders rusten. Deze ladders worden dan ondersteund door de rongen, die in de rongblokken zitten. Bij de wagen gaat het om dwarsbalken die op de langboom bevestigd zijn. Hier ondersteunen de rongen die in de rongblokken zitten de zijwanden van de wagen. [N 17, 12b + 13a + 44f + 44g; N G, 70c; JG 1b; JG 1d; JG 2b; JG 2c; monogr.]
I-13
|
| 34596 |
rongen |
klammen:
klamǝ (L416p Opglabbeek),
rongen:
roŋǝ (L416p Opglabbeek),
rongkluppels:
rūŋklępǝls (L416p Opglabbeek),
rongstekken:
roŋstɛkǝr (L416p Opglabbeek),
stekken:
stękǝrs (L416p Opglabbeek),
zijstaken:
z˙īst˙ē̜k (L416p Opglabbeek)
|
Twee tot acht houten of ijzeren spijlen die op de kar of wagen staan ter versteviging en/of ondersteuning van de zijwand (zowel -plank als -ladder). De rongen zitten bij de wagen in de rongblokken, terwijl ze bij de kar door middel van rongkrammen bevestigd zijn aan de onderzijde van de draagbalken van de karbak. [N 17, 12c + 31 + 44g + add; N G, 60d; JG 1a; JG 1b; JG 2b; JG 2c; Lu 4, 3a]
I-13
|
| 34599 |
rongogen |
klammen:
klamǝ (L416p Opglabbeek),
rongogen:
rūŋøi̯gǝ (L416p Opglabbeek)
|
Metalen krammen waarin de rongen gestoken werden om ze aan de draagbalk van de bak te bevestigen. [N 17, 32; N G, 60e; monogr]
I-13
|
| 33810 |
roodbont paard |
(een) bonte:
bontǝ (L416p Opglabbeek)
|
Bruin paard, rood-wit gevlekt als een koe. [N 8, 63d, 63e en 63g]
I-9
|
| 34029 |
roodbonte koe van het donkerrode type |
roodbonte:
rūi̯būntǝ (L416p Opglabbeek)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 121a]
I-11
|