| 18567 |
rokkostuum |
habijt (<lat.):
abied (L416p Opglabbeek)
|
het rok-costuum [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 18318 |
rokkussentje |
kontlap:
kuntlap (L416p Opglabbeek)
|
kussentje waarmee men de rok naar achteren doet uitbollen [keu, keuje, vronk] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 29077 |
roksplit |
split:
splet (L416p Opglabbeek)
|
Split in de rok. [N 62, 41a]
II-7
|
| 18426 |
roksplit [wld ii.7, p.87] |
slip:
(slip) (L416p Opglabbeek),
spleet:
spleet (L416p Opglabbeek),
split:
split (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt U: een split in de rok [N 62 (1973)]
III-1-3
|
| 26430 |
rol |
katrol:
kǝtrǫl (L416p Opglabbeek)
|
De rol waaraan in het luiwerk van een watermolen het koord of de ketting is bevestigd waarmee de zakken worden opgetrokken en afgelaten. Zie ook afb. 76. De rol is in functie vergelijkbaar met de luias in windmolens. Zie ook het lemma ɛluiasɛ. De wel (Q 241) heeft de vorm van de pletrol zoals die wordt gebruikt om aardkluiten van geploegd land te breken (vgl. WLD I.1.2, pag 165).' [Jan 230; Coe 207; Grof 234; N O, 25g; A 42A, 45]
II-3
|
| 32940 |
rol gevouwen hooi op de kar |
armvol:
hɛrvǝl (L416p Opglabbeek)
|
De goed neergelegde hoeveelheid hooi op de kar. [A 34, 5b; add. uit N 14, 120]
I-3
|
| 32823 |
rol, cylinder |
wel:
wɛl (L416p Opglabbeek)
|
Het rollend gedeelte van de landrol. [JG 1a; N 11A, 184a; monogr.]
I-2
|
| 32834 |
rollen |
draaien:
dręjǝ (L416p Opglabbeek),
rollen:
rǫlǝ (L416p Opglabbeek),
vastwellen:
vastwɛlǝ (L416p Opglabbeek),
wellen:
wɛlǝ (L416p Opglabbeek)
|
De koe tijdens het kalven op de rug wentelen. [N 3A, 50] || Het land bewerken met de rol, met de rol over het land gaan. In dit lemma zijn ook enige termen ondergebracht, die het rollen met een bepaald doel, resp. een tweetal manieren van rollen naar de richting betreffen. Voor het (...)-gedeelte van de varianten daarvan zij verwezen naar het simplex wellen aan het be-gin. [JG 1a + 1b; N 11, 87; N 11A, 187a + b + c + 189a; N P, 20 add.; monogr.]
I-11, I-2
|
| 19921 |
rolluik |
volet:
vǫlęt (L416p Opglabbeek)
|
Vensterluik, bestaande uit smalle, horizontale latjes die met behulp van kettingscharnieren of linnen banden aan elkaar bevestigd zijn en boven het venster op een in een kast aangebrachte horizontale as kunnen worden opgerold. Het rolluik kan doorgaans van binnenuit door middel van een trekband geopend en gesloten worden. [N 55, 70; monogr.; L 1 a-m, add.; L 32, 75b add; L 1u, 17 add.]
II-9
|
| 19917 |
rommelkamer |
lommelenkamer:
lomələkāmər (L416p Opglabbeek),
opkamertje:
oͅpkēͅmərkə (L416p Opglabbeek),
zolder:
zoͅlər (L416p Opglabbeek)
|
rommelkamer [ZND m]
III-2-1
|