| 19410 |
roet |
kruis:
krŭŭws (L416p Opglabbeek),
roet:
root (L416p Opglabbeek),
rôôt (L416p Opglabbeek)
|
Het rookzwart dat onder een ketel vastzit (zoet, zwart, roet, kroos) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 19865 |
roet2 |
roet:
Hèè waas zuu zwart es root
root (L416p Opglabbeek)
|
roet
III-2-1
|
| 21363 |
roezemoezen |
fezelen:
Van Dale: fezelen, 1. fluisterend praten of zeggen; - smoezen.
fezələ (L416p Opglabbeek)
|
druk praten en fluisteren, gezegd van een groep mensen, roezemoezen [tipselen, strisselen, lispelen] [N 87 (1981)]
III-3-1
|
| 32976 |
rogge |
koren:
[koren] (L416p Opglabbeek)
|
Secale cereale L. Tot in de jaren vijftig het meest geteelde graangewas in Limburg, met uitzondering van Haspengouw, waar tarwe de meest verbouwde graansoort was. Men zaait ongeveer 170 kg rogge per hectare. Het koren-gebied in dit lemma wijkt aanzienlijk af van dat in het lemma ''graan, koren'' (1.2.1); vergelijk de kaarten die bij de lemma''s getekend zijn. Zie voor de benaming koren en voor de fonetische documentatie van het woord [koren] in het gebied waar ''koren'' zowel de algemene benaming alsook de benaming van de rogge is, het lemma ''graan, koren'' (1.2.1). Zie afbeelding 1, a. [JG 1a, 1b; L 34, 55b; L lijst graangewassen, 6; S 30; Wi 52; monogr.; add. uit N 15, 1a]
I-4
|
| 20760 |
roggebrood |
brood:
bry(3)̄et (L416p Opglabbeek),
pompernel:
= bep. vorm wordt gedraaid; vandaar uitdrukking: {drg\\ wi \\n\\ pomp\\rnl}.
pompərnɛl (L416p Opglabbeek)
|
Kent uw dialect het woord pompernikkel = bepaald soort roggebrood. A.u.b. ook de dialectvorm van uw plaats opgeven en eventueel de betekenis toelichten. [N 16 (1962)] || zwart brood [ZND 01u (1924)]
III-2-3
|
| 20674 |
roggemeelpap |
roggepap:
roͅgəpap (L416p Opglabbeek)
|
Pap van roggemeel (prol?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 18314 |
rok als bovenkledingstuk |
bovenrok:
byverok (L416p Opglabbeek)
|
rok als bovenkledingstuk [aoverrok, bovenrok, booveschort] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18320 |
rok van grove stof |
marinerok:
marēͅnərok (L416p Opglabbeek)
|
rok van grove zware stof [teerteje rok, pels, tiejte sjort] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 18284 |
rok: algemeen |
rok:
rok (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek,
L416p Opglabbeek),
roͅk (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt U in het algemeen een rok? [N 62 (1973)] || rok [ZND m] || rok (door vrouwen gedragen) [ZND 17 (1935)] || vrouwenrok, kledingstuk dat van het middel af naar beneden hangt [rok, schort, schot, malbeusj] [N 24 (1964)]
III-1-3
|
| 19493 |
roken |
blaken:
bloake (L416p Opglabbeek)
|
roken
III-2-1
|