| 23447 |
rochet |
miskleed:
mes klijt (L416p Opglabbeek)
|
Het korte witte kleed over de misdienaarstoog [rochet, rökkele?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 33478 |
rode aalbes |
sint-jansberen:
sintjansbiere (L416p Opglabbeek),
De vrucht van een aalbessenstruik (bes, zembes, troskesbes, zeebes, bezing, aalbeer, miemer).
St Jànsbiërə (L416p Opglabbeek)
|
aalbes [N 82 (1981)]
I-7
|
| 33231 |
rode biet |
kroot:
krūǝt (L416p Opglabbeek)
|
Beta vulgaris L. var. rubra L. Deze bietensoort hoort eigenlijk onder de groenten uit de moestuin, en daardoor in de aflevering over de boerderij en het erf, maar is toch hier ondergebracht vanwege "lexicale nabijheid" met biet, kroot. De knollen met een doorsnee van 8-10 cm worden gekookt en warm of koud als salade gegeten. De knollen en het kookvocht hebben een felle donkerpaarse kleur. [A 4, 26d; A 13, 2a; A 49, 1b; L 20, 26d; monogr.]
I-5
|
| 24508 |
rode bosbes |
hondsbeer:
hònsbiêr (L416p Opglabbeek)
|
rode bosbes
III-4-3
|
| 33257 |
rode klaver |
rode klee:
rű̄i̯ǝ [klee] (L416p Opglabbeek),
tamme klee:
tāmǝ [klee] (L416p Opglabbeek)
|
Trifolium pratense L. Een 15 tot 50 cm hoge plant met paarsrode of roze bloemhoofdjes, die van juni tot de herfst bloeien. Rode klaver wordt vooral als veevoeder geteeld. Rode klaver gedijt, overigens evenals witte klaver, het best "onder dekvrucht", d.w.z. dat het tegelijk met een winterkoren wordt gezaaid en dan pas opkomt wanneer die dekvrucht in de herfst is geoogst. In het volgende seizoen wordt de klaver dan geweid of enkele malen gemaaid. Rode klaver is wat "kieskeuriger" dan witte klaver, stelt hogere eisen aan de grond, maar schiet goed recht op en laat zich gemakkelijker maaien. Zie ook de toelichting bij het lemma Klaver, Algemeen. Zie het lemma Klaver, Algemeen voor de fonetische documentatie van de woord(delen) klaver(-) en klee(-). [N 14, 83; monogr.]
I-5
|
| 34033 |
rode koe |
rode:
rūi̯ (L416p Opglabbeek)
|
Zie voor de fonetische documentatie van (koe) het lemma ''koe'' (3.3.1). [N 3A, 124]
I-11
|
| 34034 |
rode koe met geheel witte kop |
witkop:
wetkǫp (L416p Opglabbeek)
|
[N 3A, 125a]
I-11
|
| 20655 |
rode kool |
rode kool:
rujə kiəl (L416p Opglabbeek),
rood moes:
ru:t mo:s (L416p Opglabbeek),
rui mō.s (L416p Opglabbeek),
ryət moos (L416p Opglabbeek)
|
Rode kool (als plant of gewas) [Goossens 1b (1960)], [Lk 05 (1953)], [N Q (1966)] || rode kool als gerecht [N Q (1966)]
I-7, III-2-3
|
| 33487 |
rode renet, sterappel |
binnenrode:
van hoogstammige appelaars
binneruuj (L416p Opglabbeek)
|
appel, soort
I-7
|
| 21183 |
roeien |
roeien:
rujə (L416p Opglabbeek)
|
roeien [ZND A2 (1940sq)]
III-3-1
|