| 34643 |
rijtuig |
wagen:
wāgǝ (L416p Opglabbeek)
|
Personenvoertuig, waarbij niet de huifkar bedoeld wordt. Gezien het feit dat het hier om zaken gaat die reeds lang verdwenen zijn, is de verwarring rond de dialecttermen groot. Dit lemma is samengesteld uit de antwoorden op algemene vragen als "hoe noemt u een tweewielig rijtuig" die geen betrekking hebben op een specifieke soort. Ook de meer algemene antwoorden die in N 101 bij de vragen naar bepaalde soorten rijtuigen opgegeven werden, zijn hier verwerkt. De veel voorkomende opgaven "koets" en "sjees", de bekendste vier- en tweewielige rijtuigen, zijn in de betreffende lemmata opgenomen. [N 101, 1-14; N G 51; L 1 a-m; L 28, 24; L 36, 70; LA 288; S 18, 30; Wi 16; monogr]
I-13
|
| 33978 |
rijzadel |
rijzadel:
ri ̞i̯zāl (L416p Opglabbeek)
|
Zadel dat gebruikt wordt bij het berijden van een paard. [JG 1a, 1b]
I-10
|
| 33084 |
rijzen, uit de aren vallen |
rijzelen:
rī.zǝlǝ (L416p Opglabbeek),
rijzen:
rizǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het uit de aren vallen van de graankorrels, wanneer het graan goed droog is en op de wagen getast wordt. ''tasser op de wagen'' (5.1.5). In L 286 en 288 voegt men toe dat dergelijk koren rijskoren (riskōrǝ) wordt genoemd. De laatste drie uitdrukkingen betekenen zoveel als: "het koren is zo droog dat de korrels uit de aren vallen". Naar de fonetische verschijningsvorm zouden de uitdrukkingen (het is) rijs echter ook persoonsvormen van het werkwoord rijzen kunnen zijn.' [N 15, 53; JG 1a, 1b, 2c; L 32, 41; monogr.]
I-4
|
| 29012 |
rimpelen, fronsen |
fronsen:
frunsǝn (L416p Opglabbeek)
|
Al plooiend rijgen. Rimpelen is het uitrekken van een hoeveelheid stof tot een vooraf bepaalde kortere lengte, langs één of meer stiklijnen, waarbij de ruimte wordt verdeeld in gelijke, soepele plooitjes (Het Beste Naaiboek, pag. 178). Bij fronsen wordt de ruimte over een bredere afstand verdeeld dan bij rimpelen. Zie afb. 46. [N 59, 53; N 62, 12a; N 62, 30; Gi 1.IV, 34; MW; monogr.]
II-7
|
| 17599 |
rimpels |
rimpels:
rimpels (L416p Opglabbeek),
rimpəls (L416p Opglabbeek)
|
Fronsen: tot rimpels samentrekken, gezegd van wenkbrauwen en voorhoofd (fronsen, zich fronsen, fronselen, rimpelen). [N 84 (1981)] || rimpels (in het gezicht) [ZND 41 (1943)]
III-1-1
|
| 18396 |
ring |
ring:
eneREngk--S (L416p Opglabbeek),
Röŋk (L416p Opglabbeek)
|
ring [GTP], [ZND A1 (1940sq)]
III-1-3
|
| 17587 |
ringbaard |
ringbaard:
reŋgbārt (L416p Opglabbeek)
|
ringbaard [N 10b (1961)]
III-1-1
|
| 29911 |
ringen |
ringen:
reŋǝ (L416p Opglabbeek),
reŋǝn (L416p Opglabbeek)
|
Het varken een ring in de neus zetten om het het wroeten te beletten. [JG 1a, 1b, 1c, 2c; N 70, 9; N 19, 26; N 19, 26, Q 98 add.; monogr.]
I-12
|
| 33582 |
ringen, randen verwijderen van peulvruchten |
peulen:
polə (L416p Opglabbeek),
stropen:
strēͅi̯pə (L416p Opglabbeek),
vijzen:
vèze (L416p Opglabbeek),
vɛi̯sə (L416p Opglabbeek)
|
[N Q (1966)] [ZND 01 (1922)] [ZND 01u (1924)]vezen peulen ontdraden
I-7
|
| 26615 |
ringmeel |
ringmeel:
ręŋk[meel] (L416p Opglabbeek)
|
Meel dat rondom de ligger in de steenkuip gevallen is. In l 288b verstond men onder ringmeel het meel dat rondom de stenen zat. Wanneer de stenen pas gescherpt waren en de molen opengebroken was geweest, gooide men er ringmeel over alvorens met malen te beginnen. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømeelŋ het lemma ɛmeelɛ.' [N O, 37e; Vds 161; Jan 166; Coe 151; Grof 179; A 42, add.; A 42A, 48 add.]
II-3
|