| 33067 |
rij schoven in het veld |
rij:
rā̯ (L416p Opglabbeek)
|
Rij gebonden maar nog niet in stuiken bijeengezette schoven in het veld. Vergelijk vooral de lemma''s ''graanzwad, rij gemaaide halmen'' (4.2.10) en ''rij hokken in het veld'' (4.6.20). [N 15, 24; monogr.; add. uit JG 1b; A 23, 16]
I-4
|
| 32921 |
rij, wiers |
roede:
rōi̯ (L416p Opglabbeek)
|
De langwerpige heuveltjes of stroken waarin het nog niet geheel droge hooi wordt bijeengeharkt voordat het op hopen wordt gebracht. [N 14, 101; JG 1b, 2c en Goossens 1963; A 10, 19; A 16, 2; L 38, 37; monogr.]
I-3
|
| 18546 |
rijbroek |
rijboks:
rījbuks (L416p Opglabbeek),
rijbroek:
rijbroek (L416p Opglabbeek)
|
een rijbroek [N 59 (1973)] || rijbroek met nauw om het onderbeen sluitende pijpen [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 21130 |
rijden |
rijden:
rieë (L416p Opglabbeek),
rijə (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
rīən (L416p Opglabbeek),
varen:
váárə (L416p Opglabbeek)
|
rijden [ZND 25 (1937)], [ZND A2 (1940sq)], [ZND m] || zich voortbewegen in of op een voertuig (rijden, varen) [N 90 (1982)]
III-3-1
|
| 33174 |
rijentrekker |
rijentrekker:
rii̯ǝtrękǝr (L416p Opglabbeek),
rēǝtrękǝr (L416p Opglabbeek)
|
De rijentrekker is een houten harkachtig gereedschap waarmee evenwijdige lijnen of sleuven getrokken worden, waarlangs gezaaid of gepoot wordt, zonder dat men telkens touwen hoeft te gebruiken. Door op de snijpunten te planten van de lengtelijnen en de dwarslijnen die men over de akker heeft getrokken, kan men de afstand tussen de planten gelijk houden. Sommige rijentrekkers hebben aan boven- én onderkant tanden. De afstanden tussen de tanden variëren, afhankelijk van de plantensoort die gekweekt wordt. Er zijn ook rijentrekkers met verstelbare tanden. De gebruikelijke afstand tussen de aardappelstruiken varieert van 40 tot 60 cm. [N 18, 96; monogr.; add. uit N 18, 43; N 11A, 83]
I-5
|
| 28849 |
rijgdraad |
driegdraad:
drixdrǭt (L416p Opglabbeek)
|
Draad om iets met grote steken vast te naaien en ook om iets voorlopig te hechten. [N 62, 57; monogr.]
II-7
|
| 28973 |
rijgen |
driegen:
driegen (L416p Opglabbeek),
drigǝ (L416p Opglabbeek),
trochelen:
trǭxǝlǝn (L416p Opglabbeek)
|
Het voorlopig verbinden van een of twee delen aan elkaar met de rijgsteek, op tafel of op de hand. [N 59, 52b; N 59, 51a; N 59, 51b; N 62, 6; N 62, 7; L 1a-m; L 1u, 41; L B1, 75; Gi 1.IV, 19; MW; S 7; monogr.]
II-7
|
| 28853 |
rijggaren |
drieggaren:
drieggaren (L416p Opglabbeek)
|
Grover soort garen, die men gebruikt om de patroondelen voorlopig aan elkaar vast te naaien (Gerritse, pag. 37). De antwoorden van de informanten zijn in twee delen gesplitst. De eerste groep bestaat uit woordtypen waarvan men het gebruik van het garen kan afleiden. De tweede groep woordtypen geeft niet alleen het gebruik aan, maar ook het materiaal waarmee men werkt. [N 59, 6b; N 62, 57; monogr.]
II-7
|
| 28974 |
rijgsteek |
driegnaad:
drixnǭt (L416p Opglabbeek)
|
Zie afb. 31. [N 59, 52a; N 62, 16a; N 62, 6]
II-7
|
| 21435 |
rijk zijn |
een dikke zijn:
ps. omgespeld volgens Frings.
nən dekə (L416p Opglabbeek),
goed beslagen zijn:
ps. omgespeld volgens Frings.
hēͅ es gōt bəslāgə (L416p Opglabbeek),
met knabben zitten:
ps. omgespeld volgens Frings.
dēͅ zet meͅt knabə (L416p Opglabbeek),
rijk zijn:
ps. omgespeld volgens Frings.
rīk zēn (L416p Opglabbeek),
schatrijk zijn:
ps. omgespeld volgens Frings.
šat rēk (L416p Opglabbeek),
veel centen hebben:
ps. omgespeld volgens Frings.
vēͅl seͅntə heͅbə (L416p Opglabbeek),
zo rijk zijn als het water diep is:
ps. omgespeld volgens Frings.
hēͅ es zū rēk eͅs twātər dēp es (L416p Opglabbeek)
|
Inventarisatie uitdrukkingen voor: rijk zijn [rijk zijn, zwemmen in zijn geld, een groot fortuin hebben enz. enz.] [N 21 (1963)]
III-3-1
|