| 20559 |
rest in het glas |
klatsje:
kletske (L416p Opglabbeek),
kleͅtskə (L416p Opglabbeek),
klètske (L416p Opglabbeek),
klètskə (L416p Opglabbeek),
klets:
Dat b.v. in een glas is achtergebleven
klits (L416p Opglabbeek),
rest:
reͅst (L416p Opglabbeek)
|
kleine hoeveelheid drank die onder in een glas overblijft [ZND 36 (1941)] || restje; Hoe noemt U: Kleine hoeveelheid bier onder in een glas (kletske) [N 80 (1980)] || verschaald bier
III-2-3
|
| 24302 |
restant vissen |
bakvis:
bakvös (L416p Opglabbeek),
pootvis:
puutvös (L416p Opglabbeek),
snoek:
snook (L416p Opglabbeek),
zalm:
zalm (L416p Opglabbeek)
|
pootvis || snoek || vis, om te bakken || zalm [N100 (1997)]
III-4-2
|
| 24230 |
restant vogels |
korren:
v duiven
kòrre (L416p Opglabbeek),
kruisbek:
kruisbek (gew.uitspr.) (L416p Opglabbeek),
paardsvink:
pèèrsvink (L416p Opglabbeek),
wijfjesvink:
wi-jfkesvink (L416p Opglabbeek),
zandeend:
slobeend (51 groene kop; witte nek; bruine borst; brede platte bek
zandɛ̄nt (L416p Opglabbeek)
|
kirren || kruisbek || paardevink || slobeend [N 09 (1961)] || vink, vrouwtje
III-4-1
|
| 23674 |
retraite |
retraite (fr.):
retrait (L416p Opglabbeek)
|
Enige dagen van geestelijke afzondering en gebed in een klooster of een daarvoor bestemd huis [retraite?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 17789 |
reuk |
reuk:
rīk (L416p Opglabbeek)
|
een reuk [ZND A2 (1940sq)]
III-1-1
|
| 18085 |
reumatiek |
flerecijn:
flərəzīēn (L416p Opglabbeek),
jicht:
jecht (L416p Opglabbeek),
reumatiek:
rimmatīēk (L416p Opglabbeek)
|
Reumatiek: aandoening van spieren en gewrichten met veel pijn (flerecijn, rumatis, vliegende vaan, rimmetiek, krimmetiek). [N 84 (1981)] || reumatiek: hoe heet de gewrichtspijn die vooral bij bejaarde mensen voorkomt (fr. rhumatisme) ? [ZND 42 (1943)]
III-1-2
|
| 25438 |
reuzel |
veer:
vęjr (L416p Opglabbeek)
|
Bladvet, vetweefsel tegen de achtervlakte van de buik bij varkens. Het zijn twee platen vet. Men hangt ze op een stok te drogen (P 107a) en vervolgens worden ze in vierkante stukjes gesneden. Algemeen gebruik is dat deze vierkante stukjes worden gebraden tot "kaantjes". Het vet dat na het uitbakken overblijft, gebruikt men als smeer- of bakvet. [N 28, 75; N 28, 76; monogr.]
II-1
|
| 20633 |
reuzel, bladvet |
varkensreut:
verkesreet (L416p Opglabbeek),
veer:
bladvet of reuzelvet (ligt tegen de ribben beste soort
vēͅr (L416p Opglabbeek),
vet:
er zijn 2 soorten: bladvet of reuzelvet (ligt tegen de ribben) en darmenvet (rond de darmen)
veͅt (L416p Opglabbeek)
|
bladvet, reuzelvet [Goossens 1a (1955)] || varkensvet [Goossens 1a (1955)]
III-2-3
|
| 18265 |
revers |
revers:
revers (L416p Opglabbeek),
rǝvē̜rs (L416p Opglabbeek),
revers (fr.):
revērs (L416p Opglabbeek),
rəvèèr (L416p Opglabbeek),
rəvéérs (L416p Opglabbeek)
|
de omslag van de kraag op de borst (revers?) [N 59 (1973)] || De omslag van de kraag op de borst. [N 59, 124; N 62, 31d; MW] || Hoe noemt U: de revers? [N 62 (1973)]
II-7, III-1-3
|
| 17655 |
rib |
rib:
rep (L416p Opglabbeek),
Rib (L416p Opglabbeek)
|
een rib [ZND A1 (1940sq)] || rib, ribben [N 10 (1961)]
III-1-1
|