| 25171 |
regen (alg.) |
regen:
rege (L416p Opglabbeek),
re͂ͅŋəl (L416p Opglabbeek),
De verouderde vorm is: rèèngel.
rège(n) (L416p Opglabbeek),
Lichtverouderd voor: règen.
rèèngel (L416p Opglabbeek),
regen (m.)
rēͅŋəl (L416p Opglabbeek)
|
regen [ZND 23 (1937)] || regen in het algemeen [rengel, majem] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25181 |
regenboog |
regenboog:
rēͅŋəlbōͅx (L416p Opglabbeek),
regenboog (m.)
rēͅŋəlbōͅx (L416p Opglabbeek)
|
regenboog [weerteken] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25238 |
regenbuitje |
mals bijsje:
màls bīskə (L416p Opglabbeek),
een mals biesje
ə màls biskə (L416p Opglabbeek)
|
licht regenbuitje [smeer, bui, stoes, getsbui, bies, zauwke] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25183 |
regenen (alg.) |
druppelen:
druppelen
drepələ (L416p Opglabbeek),
regenen:
(zuiw) regene (L416p Opglabbeek),
rengele (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
rēͅŋələ (L416p Opglabbeek),
règene (L416p Opglabbeek),
rèèngele (L416p Opglabbeek),
rɛ̄gənə (L416p Opglabbeek),
op de eerste e van regene een haakje in de vorm van een c
(⁄t waas zu good es zieker det het zu) regene (L416p Opglabbeek),
regenen
rēͅŋələ (L416p Opglabbeek)
|
regen [ZND 23 (1937)] || regenen [ZND A1 (1940sq)] || regenen [sausen, majemen] [N 22 (1963)] || Regenen. ¯t Was zo goed als zeker, dat het zou regenen. [ZND 46 (1946)]
III-4-4
|
| 18554 |
regenjas |
regenjas:
regenjas (L416p Opglabbeek),
r~ēͅgənja.s (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
damesregenmantel [N 23 (1964)] || een regenmantel [N 59 (1973)] || regenjas [rusjer, ploensent] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 25180 |
regenwolkje |
watermannetje:
wátərmeͅnkə (L416p Opglabbeek),
een watermanneke
ə wàtərmeͅnəkə (L416p Opglabbeek)
|
regen-voorspellend wolkje bij ondergaande zon [watermenneke] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 24308 |
regenworm |
piereling:
pɛ:rəleͅŋk (L416p Opglabbeek),
piering:
pering (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
worm:
weͅrəm (L416p Opglabbeek)
|
pier, aardworm [ZND 14 (1926)] || worm, alg. [ZND m]
III-4-2
|
| 17904 |
reiken naar |
reiken naar:
noͅ geͅt reͅikə (L416p Opglabbeek)
|
reiken, met de handen naar iets reiken [iest beraome] [N 10 (1961)]
III-1-2
|
| 28559 |
reinigingsvlucht |
gaan kakken:
gaan kakken (L416p Opglabbeek)
|
Vlucht die de bijen ondernemen om de uitwerpselen uit hun lichaam te verwijderen. In de winter hopen zich de onverteerbare resten van het voedsel op in de endeldarm. Wanneer de grens van het zich ophopen is bereikt, dan moeten de bijen zich ontlasten. Zodra de temperatuur na de winter voor het eerst weer 8 à 10 oC is geworden, vliegen de bijen uit om zich van het opgespaarde vuil te ontdoen. [N 63, 56a; Ge 37, 195]
II-6
|
| 21195 |
reis |
reis:
mergə kem tər trek van də rɛ̄iz (L416p Opglabbeek),
Algemene opmerking bij deze vragenlijst: invuller noteert bij spellingssysteem: WBD-WLD, behalve je = dj.
rijs (L416p Opglabbeek)
|
het gaan van een plaats naar een andere, meestal met een of ander vervoermiddel (reis) [N 90 (1982)] || Morgen komt hij weer van de reis (terug). [ZND 08 (1925)]
III-3-1
|