| 33764 |
rechterkant van het paard |
buitenkant:
bytǝkānt (L416p Opglabbeek)
|
Tegenovergestelde kant van de plaats waar de voerman gaat. [N 8, 9 en 10]
I-9
|
| 34092 |
rechtervoorkwartier |
rechtervoordeem:
ręxtǝrvē̜rdīǝm (L416p Opglabbeek)
|
Het kwartier van de uier rechts voor. In de vraagstelling stond erbij wat betreft de positie van de kwartieren "van achteren gezien". [N 3A, 116c]
I-11
|
| 17616 |
rechtstaande oren |
flatsoren:
flatsy(3)̄rə (L416p Opglabbeek),
steil oortjes:
stilīrkəs (L416p Opglabbeek)
|
oor: rechtstaande oren [fikoorkes] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 28488 |
redcel |
nooddop:
nooddop (L416p Opglabbeek)
|
Gewone werkbijcel die ontwikkeld wordt tot koninginnecel of moerdop, als het bijenvolk moerloos is geworden of dreigt te worden. Deze redcel of nooddop wordt midden op de raat gebouwd. [N 63, 26b; Ge 37, 50]
II-6
|
| 18716 |
redingote? |
redingote (fr.):
jas met band gesp en schuinekraag
reͅdeŋgōt (L416p Opglabbeek)
|
riddingot, in de betekenis van kostuum(onderdeel); betekenis/uitspraak [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 25083 |
reeks, rij |
resem:
reesəm (L416p Opglabbeek),
rij:
rie (L416p Opglabbeek),
rī (L416p Opglabbeek)
|
een rij van geregeld naast elkaar geplaatste dingen [resem, reeks] [N 91 (1982)] || rij [ZND 19A (1936)]
III-4-4
|
| 32868 |
reepje overschietend gras |
biezen staan laten:
bezǝ stǭn lǭtǝ (L416p Opglabbeek)
|
Soms blijft er bij het maaien een reepje gras staan omdat men de slag met de zeis iets te ver neemt. De zegslieden hebben dit verschijnsel zowel door een zelfstandig naamwoord (zoals zwaaibalk of baard) benoemd, als ook door een werkwoordelijke uitdrukking, waarin een dergelijk zelfstandig naamwoord voorkomt (zoals een baard maaien of een baard laten staan), en tenslotte ook door een op zichzelf staand werkwoord of werkwoordelijke uitdrukking (zoals te breed pakken of te wijd grijpen). Al deze opgaven zijn in dit lemma ondergebracht. [N 14, 96]
I-3
|
| 22810 |
refrein |
refrein:
refrein (L416p Opglabbeek)
|
Een refrein (het steeds terugkerende gedeelte van een lied). [ZND 41 (1943)]
III-3-2
|
| 26544 |
regelrad |
schroef:
šryf (L416p Opglabbeek)
|
Rad waarmee men de afstand tussen de beide molenstenen kan regelen. De pan in het pasblok is daartoe op een ijzeren lat bevestigd, die met behulp van het rad op en neer geschroefd kan worden. Zie ook de toelichting bij het lemma ɛlicht, steenlichtɛ.' [Vds 114; Jan 148; Coe 128; Grof 152]
II-3
|
| 30179 |
regels |
repen:
ręjpǝ (L416p Opglabbeek),
rijbanden:
%%de volgende twee opgaven zijn enkelvoud%%
rībant (L416p Opglabbeek)
|
De horizontale balkjes die tussen de stijlen bevestigd worden. Zie ook afb. 47. De horizontale balk die de hele muurbreedte overspande, werd in Q 97 de 'kettingbalk' ('kęteŋbalǝk') genoemd. De balken werden met behulp van een pen/gat-verbinding aan elkaar bevestigd. De pen noemde men 'kijl' ('kīl'), het aan elkaar bevestigen van de balken 'angen' ('aŋǝ'). Bij de bovengenoemde houtverbinding bedroeg de doorsnede van het gat altijd het derde deel van de totale breedte van de balk. [N 4A, 52b; N 31, 45 add.; monogr.; div.; Vld]
II-9
|