| 19433 |
ramen lappen |
vensters wassen:
vinstərs wàssə (L416p Opglabbeek),
wassen:
wàsse (L416p Opglabbeek)
|
Ramen schoonmaken met behulp van spons en zeem (zemen, lappen, kuisen) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 19977 |
rammelaar |
konijnsrekel:
kni-jnsrèkel (L416p Opglabbeek),
rammelaar:
ook haas
remmelèèr (L416p Opglabbeek)
|
konijn, mannetje
III-2-1
|
| 34631 |
rammelkar |
de kar is verrateld:
dǝ kar es vǝrrātǝlt (L416p Opglabbeek)
|
Kar die veel lawaai maakt. [N 17, 92]
I-13
|
| 33578 |
rammenas |
rammenas:
ramənats (L416p Opglabbeek)
|
[ZND 41 (1943)]
I-7
|
| 18413 |
rand van een hoed |
luif:
līf (L416p Opglabbeek)
|
luifel, overstekende rand van een hoed [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 24626 |
rank |
flets:
WBD/WLD
flets (L416p Opglabbeek)
|
Stengel met bladeren, bloemen, etc. die in zichzelf niet voldoende stevigheid bezit om overeind te staan, vooral van klimplanten (reng, rank, rene, tak). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 33827 |
rank paard |
luxe paard:
løks pē̜.rt (L416p Opglabbeek)
|
Gezegd van een slank, snel paard, dat vaak als rijdier wordt gehouden. [JG 1a; N 8, 20 en 62l]
I-9
|
| 24229 |
ransuil |
bosuil:
boͅsil (L416p Opglabbeek),
uil:
iel (L416p Opglabbeek)
|
ransuil || uil: ransuil (36 oorpluimpjes, bijna alleen in mastbossen; broedt in oud kraaienest; roep [oe-oe-oe-oe] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 20515 |
ranzig |
garstig:
garstig (L416p Opglabbeek),
gàrstig (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
verzamelfiche, ook mat. van ZND 1a-m
garstəx (L416p Opglabbeek)
|
garstig [ZND 23 (1937)] || ranzig; Hoe noemt U: Sterk smakend, onaangenaam ruikend gezegd van spek (ranzig, garstig) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 33207 |
rapen |
rapen:
rā.pǝ (L416p Opglabbeek)
|
De aardappelen oprapen en in een mand bijeen doen, achter de rooiers of achter de rooiende ploeg aanlopend. [N 12, 21; JG 1a, 1b; monogr.; add. uit N 12, 18; A 23, 17d; Lu 1, 17d]
I-5
|