| 24227 |
putter |
distelvink:
destəlveͅŋk (L416p Opglabbeek),
putter:
pötter (L416p Opglabbeek)
|
distelvink || putter (12 man en pop gelijk; rood gezicht, geel in vleugel, wit in staart; hier alleen op trek; vrij schaars; distelliefhebber; zang is vrolijk, druk gedjiedel; veel in kooi [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 33623 |
putzwengel |
putzwengel:
pɛtzweŋəl (L416p Opglabbeek),
putzwik:
pøtzwek (L416p Opglabbeek),
wip:
wep (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek)
|
[N 12 (1961)] [ZND 32 (1939)]
I-7
|
| 18610 |
pyjama |
pyjama {piama}:
pīžəmao (L416p Opglabbeek)
|
pyjama, tweedelig nachtkostuum [N 25 (1964)]
III-1-3
|
| 23766 |
quatertemperdag |
quatertemperdag:
kwatertemperdag (L416p Opglabbeek)
|
De R.K. vastendag op de eerste woensdag, vrijdag en zaterdag van elk jaargetijde, quatertemperdag. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 19079 |
raad |
raad:
oppen door wis ich mich geine road miêr
road (L416p Opglabbeek)
|
raadgeving
III-1-4
|
| 19225 |
raadsel |
raadsel:
Dich spriks in roadsels: je spreekt voor mij onverstaanbare taal
roadsel (L416p Opglabbeek)
|
raadsel
III-1-4
|
| 27904 |
raam |
raam:
rām (L416p Opglabbeek),
venster:
venstǝr (L416p Opglabbeek
[(+)]
)
|
Zie kaart. Een van glas voorziene opening waardoor het buitenlicht naar binnen valt. In het onderzoeksgebied worden de woorden 'venster' en 'raam' ook wel gebruikt voor de houten of metalen omlijsting waarin de vensterruit wordt geplaatst. In het Standaardnederlands zijn de woorden 'raam', 'venster' en 'glas' onzijdig, in de meeste Limburgse dialecten echter vrouwelijk. Wanneer door de invullers nadrukkelijk een vrouwelijk genus werd opgegeven, is achter de betreffende plaatscode een (+) opgenomen. [N 55, 37; RND 49; A 46, 10a; L mon.; monogr.; Vld.]
II-9
|
| 32825 |
raam van de landrol |
raam:
rām (L416p Opglabbeek)
|
Het door twee lange en twee korte balkjes gevormde raam waarin of waaronder de rol of cylinder kan draaien. Zie afb. 81 en 82. [JG 1a + 2c; JG 1b add.; N 11A, 184b + c + 185b; monogr.]
I-2
|
| 33452 |
raampje in een poort |
denvenstertje:
dęnvenstǝrkǝ (L416p Opglabbeek),
kijkgat:
kik˲gāt (L416p Opglabbeek)
|
Een raampje in een poort, soms ook een luikje, om door te kunnen kijken, ook wel ter beluchting, al dan niet beglaasd. De opgaven die duidelijk op een deur wijzen, zijn overgeplaatst naar het lemma "deurtje in een poortvleugel" (4.1.10). [N 5A, 54b]
I-6
|
| 30182 |
raamwerk |
ruiten:
rø̜jtǝ (L416p Opglabbeek)
|
Het gehele timmergeraamte van verticale en horizontale balken. [N 4A, 52f; N 31, 45b; monogr.; N 4A, 52e]
II-9
|