| 28551 |
propolis |
bijenhars:
bijenhars (L416p Opglabbeek)
|
Harsachtige stof waarmee de werkbijen alle openingen en naden van hun woning dichtkitten tegen tocht, kou en waterdamp. De propolis wordt ook gebruikt om te effenen en raten te versterken. De werksters halen deze stof uit bloemknoppen en harsdruppels van naaldbomen. Zelfs verf, teer of asfalt kunnen er de grondstof voor zijn. [N 63, 53a, N 63, 53b; Ge 37, 141; monogr.]
II-6
|
| 22310 |
proppenschieter |
knap:
knap (L416p Opglabbeek),
ən knap (L416p Opglabbeek)
|
Een klakkebus (cilindervormig kinderspeeltuig van uitgehold vlierout, waarmede een prop wordt weggeschoten). [ZND 08 (1925)] || Klakkebus; cilindervormig kinderspeeltuig van vlierhout. [ZND 15 (1930)]
III-3-2
|
| 20456 |
prostituée |
hoer:
hōēr (L416p Opglabbeek)
|
prostituée, publieke vrouw [hoer, lichtvink, deerne, blaar] [N 86 (1981)]
III-2-2
|
| 19676 |
provisiekast, etenskast |
schap:
šāp (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
vliegenkast:
vliegenkast (L416p Opglabbeek)
|
spinde [ZND 07 (1924)] || voorraad- of provisiekast [N 05A (1964)]
III-2-1
|
| 18403 |
pruik |
pruik:
prīēk (L416p Opglabbeek)
|
kunstmatig vervaardigde haarbedekking, valse haardos [kalot, pruik] [N 86 (1981)]
III-1-3
|
| 20911 |
pruim |
pruim:
prûm (L416p Opglabbeek),
reine claude (fr.):
sappige, kleine paarse of groene pruim
ringeluut, rigluut (L416p Opglabbeek)
|
pruim || pruim, soort
I-7
|
| 20568 |
pruimen |
pruimen:
met stoottoon
prûme (L416p Opglabbeek),
sjieken:
sikke (L416p Opglabbeek),
sjikke (L416p Opglabbeek),
sjikkə (L416p Opglabbeek)
|
pruimen; Hoe noemt U: Tabak kauwen (pruimen, sikken, sjikken) [N 80 (1980)] || pruimtabak kauwen
III-2-3
|
| 18926 |
prutsen |
fritselen:
fretsələ (L416p Opglabbeek),
klongelen:
klòngele (L416p Opglabbeek),
kloten:
zie ook gekluut och, de kluuts mè wat aan
klute (L416p Opglabbeek),
knoeien:
knoeien (L416p Opglabbeek),
knuje (L416p Opglabbeek),
knutselen:
knutselen (L416p Opglabbeek),
niet voortdoen:
niet voortdoen (L416p Opglabbeek),
potteren:
Di-j twiê auw sikkelèèrkes zitte doa mè wat te pottere
pottere (L416p Opglabbeek),
prutsen:
pretsə (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
z. ook pottere Waat zuidste nog langer zitte te pritse: de piks later toch niks möt
pritse (L416p Opglabbeek),
verkloten:
Kliêtsje, dich verkluuts al di-jen ti-jd aan di-j prulle van niks
verklute (L416p Opglabbeek)
|
Frutselen (met kleinigheden bezig zijn). [ZND 35 (1941)] || met nietige bezigheden zijn tijd doorbrengen || nogal sukkelachtig tewerkgaan || ondeugelijk (of onvoldoende) werk, verrichten, klooien || prutsen, broddelen || prutsen: betekenis [ZND 40 (1942)] || prutsen: uitspraak [ZND 40 (1942)] || slordig of/en slecht te werk gaan || verknoeien, verklungelen
III-1-4
|
| 18908 |
prutser |
klommelaar:
klòmmelèèr (L416p Opglabbeek),
kloot-me-vee:
nûw zi-jn vruiw gestorven is, zitsj dèèn erme kluutmevee doa hiêl allein te pottere
kluutmevee (L416p Opglabbeek),
potteraar:
potterèèr (L416p Opglabbeek),
sukkelaar:
sigkelèèr(ster) (L416p Opglabbeek)
|
klungelaar, onhandig wezen || lantefanter, treuzelaar, onhandigaard, die veel meer tijd nodig heeft dan normaal om iets af te werken || sukkelaar, onhandig iemand || wat, oorspronkelijk een minder bekwame kok betekende
III-1-4
|
| 20578 |
pruttelen |
snurken:
snorke (L416p Opglabbeek),
snòrkə (L416p Opglabbeek)
|
Hoe noemt U: Snurkende geluiden maken, gezegd van een pijp (smierken, lurken) [N 80 (1980)]
III-2-3
|