e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
propolis bijenhars: bijenhars (Opglabbeek) Harsachtige stof waarmee de werkbijen alle openingen en naden van hun woning dichtkitten tegen tocht, kou en waterdamp. De propolis wordt ook gebruikt om te effenen en raten te versterken. De werksters halen deze stof uit bloemknoppen en harsdruppels van naaldbomen. Zelfs verf, teer of asfalt kunnen er de grondstof voor zijn. [N 63, 53a, N 63, 53b; Ge 37, 141; monogr.] II-6
proppenschieter knap: knap (Opglabbeek), ən knap (Opglabbeek) Een klakkebus (cilindervormig kinderspeeltuig van uitgehold vlierout, waarmede een prop wordt weggeschoten). [ZND 08 (1925)] || Klakkebus; cilindervormig kinderspeeltuig van vlierhout. [ZND 15 (1930)] III-3-2
prostituée hoer: hōēr (Opglabbeek) prostituée, publieke vrouw [hoer, lichtvink, deerne, blaar] [N 86 (1981)] III-2-2
provisiekast, etenskast schap: šāp (Opglabbeek, ... ), vliegenkast: vliegenkast (Opglabbeek) spinde [ZND 07 (1924)] || voorraad- of provisiekast [N 05A (1964)] III-2-1
pruik pruik: prīēk (Opglabbeek) kunstmatig vervaardigde haarbedekking, valse haardos [kalot, pruik] [N 86 (1981)] III-1-3
pruim pruim: prûm (Opglabbeek), reine claude (fr.): sappige, kleine paarse of groene pruim  ringeluut, rigluut (Opglabbeek) pruim || pruim, soort I-7
pruimen pruimen: met stoottoon  prûme (Opglabbeek), sjieken: sikke (Opglabbeek), sjikke (Opglabbeek), sjikkə (Opglabbeek) pruimen; Hoe noemt U: Tabak kauwen (pruimen, sikken, sjikken) [N 80 (1980)] || pruimtabak kauwen III-2-3
prutsen fritselen: fretsələ (Opglabbeek), klongelen: klòngele (Opglabbeek), kloten: zie ook gekluut och, de kluuts mè wat aan  klute (Opglabbeek), knoeien: knoeien (Opglabbeek), knuje (Opglabbeek), knutselen: knutselen (Opglabbeek), niet voortdoen: niet voortdoen (Opglabbeek), potteren: Di-j twiê auw sikkelèèrkes zitte doa mè wat te pottere  pottere (Opglabbeek), prutsen: pretsə (Opglabbeek, ... ), z. ook pottere Waat zuidste nog langer zitte te pritse: de piks later toch niks möt  pritse (Opglabbeek), verkloten: Kliêtsje, dich verkluuts al di-jen ti-jd aan di-j prulle van niks  verklute (Opglabbeek) Frutselen (met kleinigheden bezig zijn). [ZND 35 (1941)] || met nietige bezigheden zijn tijd doorbrengen || nogal sukkelachtig tewerkgaan || ondeugelijk (of onvoldoende) werk, verrichten, klooien || prutsen, broddelen || prutsen: betekenis [ZND 40 (1942)] || prutsen: uitspraak [ZND 40 (1942)] || slordig of/en slecht te werk gaan || verknoeien, verklungelen III-1-4
prutser klommelaar: klòmmelèèr (Opglabbeek), kloot-me-vee: nûw zi-jn vruiw gestorven is, zitsj dèèn erme kluutmevee doa hiêl allein te pottere  kluutmevee (Opglabbeek), potteraar: potterèèr (Opglabbeek), sukkelaar: sigkelèèr(ster) (Opglabbeek) klungelaar, onhandig wezen || lantefanter, treuzelaar, onhandigaard, die veel meer tijd nodig heeft dan normaal om iets af te werken || sukkelaar, onhandig iemand || wat, oorspronkelijk een minder bekwame kok betekende III-1-4
pruttelen snurken: snorke (Opglabbeek), snòrkə (Opglabbeek) Hoe noemt U: Snurkende geluiden maken, gezegd van een pijp (smierken, lurken) [N 80 (1980)] III-2-3