e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
praam praam: prām (Opglabbeek) Neusknijper om het paard in bedwang te houden. Een praam bestaat uit een houtje met een lus eraan, die rond de bovenlip van het paard wordt gelegd en met het houtje wordt aangedraaid. Er bestaan ook metalen neusknijpers met deze functie (zie o.a. de termen muilijzer, tandijzer en gebitijzer). [JG 1b, 1c, 2c; N 13, 85; N 33, 377 en 380; S 28; monogr.] I-10
pralerij prijken: Ge haudsj hèèr mote zeen pri-jke möt det nûw heedsje  pri-jke (Opglabbeek), spiegelen: Es ze wat nûts hauw, dan mees ze doa alti-jd möt spegele  spegele (Opglabbeek) pralen, pronken || pronken III-1-4
predikant: dominee dominee (<lat.): nən dōmənē (Opglabbeek), protestantse pastoor: nə prōtəstansən pəsty(3)̄ər (Opglabbeek) Protestansch predikant. [ZND 14 (1926)] III-3-3
preek preek: prēͅk (Opglabbeek), prɛ̄k (Opglabbeek), sermoen (<fr.): sermuun (Opglabbeek) De predikatie, de preek [preek, prèèk, preëdich?]. [N 96B (1989)] III-3-3
preekstoel preekstoel: préékstoel (Opglabbeek) De preekstoel [preek-, prèèk-, predichsjtool?]. [N 96A (1989)] III-3-3
prefatie prefatie (<lat.): prefatie (Opglabbeek) De door de priester gezongen lofprijzing ter inleiding van de Canon, de prefatie. [N 96B (1989)] III-3-3
prei look: luuk (Opglabbeek), poor: puur (Opglabbeek, ... ), pūə.r (Opglabbeek) [Goossens 1b (1960)] [ZND 05 (1924)] [ZND 15 (1930)]look || prei I-7
preisoep poorsoep: py(3)̄rsoͅp (Opglabbeek) Preisoep (Poorsop?) [N 16 (1962)] III-2-3
preken preken: prēͅkə (Opglabbeek), prɛ̄kən (Opglabbeek) Preken, prediken [preeke, prèèke, preëdieje?]. [N 96B (1989)] III-3-3
prent(je) beeld(je): ein schûn beeltje (Opglabbeek) Een schoon beeldeken (Fr. image). [ZND 21 (1936)] III-3-2