e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
pols pols: pols (Opglabbeek), poͅls (Opglabbeek) Een pols: plaats boven het handgewricht [N 106 (2001)] || pols [N 10b (1961)] III-1-1
polsmof mof: muf (Opglabbeek) polsmof, kort gebreid kledingstuk ter verwarming van pols en hand [sjtoek, polsmof, handmufke, armmufke, molleke, moefke] [N 23 (1964)] III-1-3
pommelee, appelschimmel (een) geappelde: gǝapǝldǝ (Opglabbeek), pommelee: pǫmǝlē (Opglabbeek) Paard met ronde, glanzende plekken in de vorm van appels in het haarkleed, van binnen wit en van buiten zwart. De afwisseling van zwarte en witte haren vormt een cirkelvormig patroon, vooral op de schouders en het kruis. [JG 1a, 1b; N 8, 63c, 63d en 63e] I-9
pompen met de poten werken: møt dǝ pīǝt wørkǝ (Opglabbeek) Eén van de poten bewegen om zo het bloed beter te laten uitstromen nadat de keel van het dier is doorgesneden. [N 28, 14; monogr.] II-1
pompen, vermaken veranderen: vǝrandǝrǝ (Opglabbeek), vermaken: vǝrmākǝ (Opglabbeek) Vermaken van kleding. Aangeven van aan te brengen veranderingen in verband met niet goed passen (Meima I, pag. 6). [N 59, 190a; N 62, 21b; MW] II-7
pompoen pronkappel: mooi geblonken appel, waarmee men "brònke" kon.  brònkappel (Opglabbeek) pronkappel I-7
ponder ponder: iets ter plaatse te wegen  penər (Opglabbeek) Weeginstrument met trekveerwerking. [N 18 (1962)] III-3-1
pook pook: o.m. om het vuur op te rakelen  puuk (Opglabbeek), rakelijzer: roakeli-jzer (Opglabbeek, ... ), stoofijzer: stoafi-jzer (Opglabbeek) pook III-2-1
poort poort: pǫrt (Opglabbeek) Opgenomen zijn de benamingen die de poort in het algemeen. Zie ook de lemmata "stalpoort, staldeur" (2.1.3) en "schuurpoort" (3.1.2). Zie de afbeeldingen 22, (a) ronde poort; 23, (b) rechthoekige poort; en 24, (c) details van de poort. In de toegevoegde klankkaart zijn de lengte van klinker en de gevallen van pseudo-klankverschuiving van de slot-t aangegeven. Zie afbeelding 18. [N 7, 48a; JG 1a, 1b; A 10, 7a en 7b; L A2, 286; L 5, 56; L 12, 5; R (s] I-6
poot poot: pū.t (Opglabbeek  [(mv pī.)]  ), pūǝt (Opglabbeek), varkenspoot: (mv)  vɛrkǝspȳt (Opglabbeek) [N 76, 12]Tussen haakjes de meervoudsvorm. [JG 1a, 1b] I-11, I-12, I-9