| 21774 |
plat praten |
plat kallen:
plat kalle (L416p Opglabbeek)
|
plat praten [N 102 (1998)]
III-3-1
|
| 34573 |
plateauwagen |
wagen:
wāgǝ (L416p Opglabbeek)
|
Een vierwielige wagen, vaak al met wielen met luchtbanden, die voor het vervoer van melkbussen, biervaten, land- en tuinbouwproducten enz. gebruikt werd. De bak van deze wagen hangt laag boven de grond en heeft een groot bodemoppervlak. Vaak zijn er geen voor-, achter- en zijkanten. De wagen kan door paarden of ook door een tractor getrokken worden. [N 17, 43a; N G, 51 + 69; monogr.]
I-13
|
| 34085 |
platen |
platen:
plātǝ (L416p Opglabbeek)
|
De zijvlakken van het kruis. [N 3A, 111b]
I-11
|
| 33032 |
platliggen van graan |
ligt:
lext (L416p Opglabbeek)
|
Wanneer de halmen door wind en regen platgeslagen zijn en tegen de grond liggen, is dat lastig werken voor de zichter. Hier staan steeds de persoonsvormen van het werkwoord genoemd, waarbij als onderwerp moet gedacht worden: "het koren"; achter in het lemma staan enkele zelfstandige naamwoorden: "platgelegerd graan". Heel in de uitdrukking ''(het koren) ligt heel'' staat voor ''helemaal''. [N 15, 13; monogr.]
I-4
|
| 29080 |
platstuk |
platstuk:
platstøk (L416p Opglabbeek)
|
Beide schouderstukken van een kiel, hemd of colbert die achter aan elkaar genaaid zijn; een schouderpas dus, bestaande uit twee stukken. [N 59, 91; N 62, 33; N 59, 87]
II-7
|
| 19417 |
plattebuiskachel |
leuvense stoof:
lievese staof (L416p Opglabbeek),
liêvese stoaf (L416p Opglabbeek),
stoof:
staof (L416p Opglabbeek),
stōͅf (L416p Opglabbeek),
stōͅv (L416p Opglabbeek),
stoofje:
verkleinwoord van stoaf Gèè mootsj het stèèfke ins wat oproakele
stèèfke (L416p Opglabbeek)
|
een kleine plattebuiskachel || een plattebuiskachel || Lange kookkachel met langwerpige platte buis en zichtbare pot (boerenkachel, leuvense kachel, platte buis (kachel) [N 79 (1979)] || lange kookkachel, met langwerpige platte buis en zichtbaren pot [ZND 23 (1937)]
III-2-1
|
| 23528 |
plechtig |
plechtig:
plechtig (L416p Opglabbeek)
|
Plechtig, feestelijk [faierlich?]. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 24009 |
plechtige communie |
plechtige communie (<lat.):
plechtigə kəmiĕniĕ (L416p Opglabbeek)
|
De Plechtige H.Communie + hernieuwing van de doopbeloften. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 23522 |
plechtige mis |
plechtige mis:
plechtige mes (L416p Opglabbeek)
|
De mis plechtig opdragen, celebreren. [N 96B (1989)]
III-3-3
|
| 30560 |
pleistermortel |
kalkmortel:
kalǝkmǫrtǝl (L416p Opglabbeek)
|
Mortel voor pleisterwerk. Pleistermortel mag, om krimpscheuren te voorkomen, niet te vet zijn. Hij wordt dan ook meestal samengesteld uit 1 deel Portlandcement op 3 delen zand of 1 deel kalkpoeder, 1,5 deel tras en 2,5 à 3 delen zand of 1 deel Portlandcement, 1 deel tras en 5 delen zand (Zwiers II, pag. 218). Zie voor de fonetische documentatie van de tussen '(...)' geplaatste woorden en woorddelen het lemma 'Mortel'. [N 30, 38d; N 32, 37b; monogr.]
II-9
|