| 33570 |
pit van een steenvrucht |
baak:
baak (L416p Opglabbeek),
WBD/WLD
bōūk (L416p Opglabbeek),
keets:
keetsen (L416p Opglabbeek),
kēts (L416p Opglabbeek),
kiəts (L416p Opglabbeek)
|
De pit van een steenvrucht (kern, steen, pit, baak, teel, kelling). [N 82 (1981)] || kern [ZND 01 (1922)] || pit, kern ve vrucht
I-7
|
| 33495 |
pit, kern van fruit |
keets:
keets (L416p Opglabbeek),
keetsen (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
kets (L416p Opglabbeek),
kiəts (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
kern:
kèèn (L416p Opglabbeek)
|
[RND 08] [ZND 01 (1922)] [ZND 27 (1938)] [ZND m]pit van appelen, peren, enz.
I-7
|
| 24974 |
plaats maken |
plaats maken:
plaats makə (L416p Opglabbeek)
|
ruimte beschikbaar maken [plaats maken, schavelen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 25365 |
plaats waar men het slachtvee treft om het te verdoven |
voorkop:
vīrkop (L416p Opglabbeek)
|
Verdooft men het dier met het schietmasker, dan moet de pin de kop binnendringen op het snijpunt van de lijnen linkerhoorn-rechteroog en rechterhoorn-linkeroog. Verdooft men het dier met een hamer of iets dergelijks, dan slaat men het doorgaans de schedel is. [N 28, 7; monogr.]
II-1
|
| 30564 |
plakspaan |
strijkspaan:
strīkspān (L416p Opglabbeek)
|
Van een handvat voorziene houten of metalen plankje dat wordt gebruikt bij het gelijkschuren van raapspecie of gestort beton. Zie ook afb. 88. De 'sprahe' (Q 121) bestaat uit een rechthoekig blad van vrij dun en ietwat buigzaam staal waarop een handvat gemonteerd is. Zie voor dit woordtype ook RhWb (VIII), k. 404, s.v. 'Sprahe', ø̄spreeuwø̄. De 'houten riester' (Q 121) heeft dezelfde vorm als de 'sprahe'. Soms is op deze houten riester een laag 'vilt' ('velts') gespijkerd. De '(ijzeren) riester' (Q 121) vertoont grote overeenkomst met de 'sprahe', maar is van een dikkere soort staal gemaakt. De voorkant is afgerond in de vorm van een cirkelsegment (Lochtman, pag. 22). [N 30, 9; monogr.]
II-9
|
| 31730 |
plank |
plank:
plaŋk (L416p Opglabbeek
[(meervoud: plɛŋk)]
)
|
In het algemeen een stuk hout waarvan de breedte groter is dan de dikte en de lengte groter dan de breedte. Bij de timmerman heeft het woord plank daarnaast ook nog een meer specifieke betekenis. Het is doorgaans een geschaafd en van messing en groef voorzien stuk hout, dat vaak nog een bepaalde afmeting heeft, namelijk in de breedte tussen 10 en 17.5 cm (4 en 7 duim) en in de dikte tussen 2 en 2.5 cm (0.75 en 1 duim) (Van de Watering, pag. 13). Zoɛn zijdelingse groef in vloerplanken werd in Meeswijk (L 424) en Valkenburg (Q 101) een klik (klek) genoemd. Een ɛdeelɛ is een in de lengte uit een boomstam gezaagd, plat stuk hout, dat nog niet geschaafd is.' [N 50, 73k; N 50, 74b; L 33, 22; L 40, 56; monogr.]
II-12
|
| 32174 |
plank, legplank |
schap:
šāp (L416p Opglabbeek)
|
Plank in een meubel, en dan met name in een kast. [N 56, 133; N 56, 149a; monogr.]
II-12
|
| 24627 |
plantenstek |
stek:
WBD/WLD
stekkə (L416p Opglabbeek)
|
Afgesneden takje dat men in de grond zet om er een nieuwe plant uit te laten groeien (stek, poot). [N 82 (1981)]
III-4-3
|
| 26728 |
plas of meertje midden in de hei |
ven:
vęn (L416p Opglabbeek)
|
N 27, 23a vroeg naar ''plas of meertje midden in de hei''; I, 19 vroeg naar ''plassen, gevormd na afgraving van de turf''; 11, 10 vroeg naar ''watergat, veenkuil'' en II, 11 naar een ''plas, vooral een halfdichtgegroeide veenplas''. Al deze vragen zijn in dit lemma versmolten. [N 27, 23a; I, 19; II, 10; II, 11]
II-4
|
| 17912 |
plassen (met water) |
bratselen:
bratsələ (L416p Opglabbeek)
|
knoeien met water, in t water plassen [klosse] [N 10 (1961)]
III-1-2
|