e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
peulen, doppen (ww.) uitdoen: ui̯.dō.n (Opglabbeek), ūtdōn (Opglabbeek), ydōn (Opglabbeek), ytdōn (Opglabbeek) [Goossens 1c (1955b)] [N Q (1966)] [ZND 40 (1942)] I-7
peulerwten sokkererwten: WBD/WLD  sōēkərert (Opglabbeek) De peulerwt; soort van erwt waarbij de hele vrucht gegeten wordt, ook de schil (sluimerwt, hauw(ke), peul, suikererwt, blie-erwt). [N 82 (1981)] I-7
peulvruchten afhalen stropen: strēi̯pən (Opglabbeek), vezen: vēͅzə (Opglabbeek), vɛIsə (Opglabbeek), peulvruchten (inz. bonen) ontdoen van de zijdraad  vèze (Opglabbeek) bonen stropen, afhalen [ZND 01u (1924)] || de vezeldraad van een peulvrucht verwijderen || erwten of bonen afhalen, van draden ontdoen [N Q (1966)] || vezen III-2-3
peulvruchten doppen uitdoen: u:tdo:n (Opglabbeek) erwten of bonen doppen, ontpeulen [N Q (1966)] III-2-3
peuzelen genieten: genēte (Opglabbeek), met deugd eten: met déégd ééte (Opglabbeek), peuzelen: pīēzele (Opglabbeek) peuzelen; Hoe noemt U: Langzaam en met smaak eten (pluizen, peuzelen) [N 80 (1980)] III-2-3
pezen pezen: pɛǝsǝ (Opglabbeek) [N 28, 63; Veldeke 15, 22; monogr.] II-1
pezen blootleggen pezen lossnijden: pɛesǝ lossnī-jǝ (Opglabbeek) Men maakt een snede achter de achillespees, waardoor deze bloot komt te liggen. Door het door de snede ontstane gat steekt men meestal een balkje, vaak voorzien van inkepingen. waarin dan de pezen worden geschoven, zodat deze niet weg kunnen schuiven. Zo wordt voorkomen dat het dier "dichtklapt". [N 28, 62; monogr.] II-1
pezerik pezerik: pēsǝrek (Opglabbeek) De uitgesneden roede of zaadstreng van een mannelijk varken na het slachten. Veelal gebruikt men deze zaadstreng om er de zaag of schaaf mee in te smeren. Ook werkschoenen vet men ermee in. ''s Winters wordt hij als voer aan de vogels, vooral de mezen, gegeven, soms ook met de bedoeling om de vogels te vangen. [N 28, 71; N 28, 72; monogr.] II-1
piekeren prakkiseren: hēͅ zit tə prakəzēͅrə (Opglabbeek) hij zat daar altijd te mijmeren (onder "mijmeren"verstaan we hier: over zijn zorgen zitten te denken, te piekeren, te prakkezeren) [ZND 39 (1942)] III-1-4
piepen piepen: pīpǝ (Opglabbeek) Geluid voortbrengen, gezegd van een jonge kip. [N 19, 48; monogr.] I-12