| 33522 |
peulen, doppen (ww.) |
uitdoen:
ui̯.dō.n (L416p Opglabbeek),
ūtdōn (L416p Opglabbeek),
ydōn (L416p Opglabbeek),
ytdōn (L416p Opglabbeek)
|
[Goossens 1c (1955b)] [N Q (1966)] [ZND 40 (1942)]
I-7
|
| 33569 |
peulerwten |
sokkererwten:
WBD/WLD
sōēkərert (L416p Opglabbeek)
|
De peulerwt; soort van erwt waarbij de hele vrucht gegeten wordt, ook de schil (sluimerwt, hauw(ke), peul, suikererwt, blie-erwt). [N 82 (1981)]
I-7
|
| 20662 |
peulvruchten afhalen |
stropen:
strēi̯pən (L416p Opglabbeek),
vezen:
vēͅzə (L416p Opglabbeek),
vɛIsə (L416p Opglabbeek),
peulvruchten (inz. bonen) ontdoen van de zijdraad
vèze (L416p Opglabbeek)
|
bonen stropen, afhalen [ZND 01u (1924)] || de vezeldraad van een peulvrucht verwijderen || erwten of bonen afhalen, van draden ontdoen [N Q (1966)] || vezen
III-2-3
|
| 20815 |
peulvruchten doppen |
uitdoen:
u:tdo:n (L416p Opglabbeek)
|
erwten of bonen doppen, ontpeulen [N Q (1966)]
III-2-3
|
| 20572 |
peuzelen |
genieten:
genēte (L416p Opglabbeek),
met deugd eten:
met déégd ééte (L416p Opglabbeek),
peuzelen:
pīēzele (L416p Opglabbeek)
|
peuzelen; Hoe noemt U: Langzaam en met smaak eten (pluizen, peuzelen) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 25420 |
pezen |
pezen:
pɛǝsǝ (L416p Opglabbeek)
|
[N 28, 63; Veldeke 15, 22; monogr.]
II-1
|
| 25421 |
pezen blootleggen |
pezen lossnijden:
pɛesǝ lossnī-jǝ (L416p Opglabbeek)
|
Men maakt een snede achter de achillespees, waardoor deze bloot komt te liggen. Door het door de snede ontstane gat steekt men meestal een balkje, vaak voorzien van inkepingen. waarin dan de pezen worden geschoven, zodat deze niet weg kunnen schuiven. Zo wordt voorkomen dat het dier "dichtklapt". [N 28, 62; monogr.]
II-1
|
| 21734 |
pezerik |
pezerik:
pēsǝrek (L416p Opglabbeek)
|
De uitgesneden roede of zaadstreng van een mannelijk varken na het slachten. Veelal gebruikt men deze zaadstreng om er de zaag of schaaf mee in te smeren. Ook werkschoenen vet men ermee in. ''s Winters wordt hij als voer aan de vogels, vooral de mezen, gegeven, soms ook met de bedoeling om de vogels te vangen. [N 28, 71; N 28, 72; monogr.]
II-1
|
| 18806 |
piekeren |
prakkiseren:
hēͅ zit tə prakəzēͅrə (L416p Opglabbeek)
|
hij zat daar altijd te mijmeren (onder "mijmeren"verstaan we hier: over zijn zorgen zitten te denken, te piekeren, te prakkezeren) [ZND 39 (1942)]
III-1-4
|
| 24224 |
piepen |
piepen:
pīpǝ (L416p Opglabbeek)
|
Geluid voortbrengen, gezegd van een jonge kip. [N 19, 48; monogr.]
I-12
|