e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
paspop buste: buste (Opglabbeek) Pop waarop men gemaakte kleren past. Er zijn verschillende soorten paspoppen, bijv. harnassen van metalen ringetjes die van voren of van achteren kunnen worden gesloten of pasvormen van geprepareerd papier of karton (Morand, pag. 35). Er bestaan echter ook standaard-paspoppen, zowel voor mannen, vrouwen als kinderen. [N 59, 33] II-7
passen goed passen: pas goot (Opglabbeek), past gōēt (Opglabbeek), passen: passen (Opglabbeek), pasǝ (Opglabbeek), pasə (Opglabbeek), pàssə (Opglabbeek) Een kledingstuk passen om te zien of het goed zit en de juiste maat heeft. [N 59, 73; N 62, 8; L 48, 1; monogr.] || Hoe zegt U: het kledingstuk zal goed zitten [N 62 (1973)] || nauwkeurig sluiten, goed staan, gezegd van kleding [passen] [N 86 (1981)] || Passen. Wie een nieuwe jas bestelt laat zich de maat nemen en moet later naar de kleermaker om het kledingstuk te gaan ... Welk woord gebruikt uw dialect hier? (fr. essayer) [ZND 48 (1954)] II-7, III-1-3
passiezondag palmzondag*: pawmzoennig (Opglabbeek), passiezondag: passiezoennig (Opglabbeek) De vijfde zondag van de vasten, de voorlaatste zondag vóór Pasen. [N 96C (1989)] III-3-3
passpiegel spiegel voor de klanten: spiegel voor de klanten (Opglabbeek) Grote spiegel waarin men zich helemaal kan zien, ten voeten uit. [N 59, 34] II-7
pasteitje vid-tje: vidēkə (Opglabbeek) Klein pasteitje, de niet gevulde vorm van deeg (viedeeke?) [N 16 (1962)] III-2-3
pastinaak pastenaken: WBD/WLD  bàstənāāk (Opglabbeek), pastenakenpoten: bastenake poewt (Opglabbeek) De pastinaak, de vlezige wortel van de plant met dezelfde naam, die een aromatische smaak heeft (pastenaak, pannenakkerstrung). [N 82 (1981)] || pastinaak [ZND 05 (1924)] I-7
pastoor pastoor (<lat.): də pəestijər (Opglabbeek), pəstūūr (Opglabbeek), pəsty:r (Opglabbeek), m  pəstu.r (Opglabbeek), ɛjnə pəsty:r (Opglabbeek) Een pastoor, het geestelijk hoofd van een parochie [pestoeër]. [N 96D (1989)] || pastoor [RND] || Pastoor. [ZND 14 (1926)] III-3-3
pastoorsstuk pastoorsstuk: pǝstūrsstɛk (Opglabbeek) Het stuk vlees dat de pastoor krijgt. Dat is geen bepaald stuk, meestal is het het beste van de slacht. Het stuk krijgt vaak de normale slachtersbenaming. In dit lemma worden deze normale slachtersbenamingen voor de diverse stukken vlees weggelaten. Zij worden opgenomen in deel III van het woordenboek bij het onderdeel: ''Producten van de slacht''. [N 28, 103; monogr.] II-1
pastorie pastorie: də pəstrī (Opglabbeek), pástəriĕ (Opglabbeek) De pastorij. [ZND 12 (1926)] || Het woonhuis van de pastoor, pastorie. [N 96D (1989)] III-3-3
patates frites friet: frit (Opglabbeek), Ze kocht zich èè ti-jsje frit möt majenèès  frit (Opglabbeek), frieten: fretə (Opglabbeek) friet || frieten || Patates frites (friet, petat?) [N 16 (1962)] III-2-3