| 28897 |
paspop |
buste:
buste (L416p Opglabbeek)
|
Pop waarop men gemaakte kleren past. Er zijn verschillende soorten paspoppen, bijv. harnassen van metalen ringetjes die van voren of van achteren kunnen worden gesloten of pasvormen van geprepareerd papier of karton (Morand, pag. 35). Er bestaan echter ook standaard-paspoppen, zowel voor mannen, vrouwen als kinderen. [N 59, 33]
II-7
|
| 18183 |
passen |
goed passen:
pas goot (L416p Opglabbeek),
past gōēt (L416p Opglabbeek),
passen:
passen (L416p Opglabbeek),
pasǝ (L416p Opglabbeek),
pasə (L416p Opglabbeek),
pàssə (L416p Opglabbeek)
|
Een kledingstuk passen om te zien of het goed zit en de juiste maat heeft. [N 59, 73; N 62, 8; L 48, 1; monogr.] || Hoe zegt U: het kledingstuk zal goed zitten [N 62 (1973)] || nauwkeurig sluiten, goed staan, gezegd van kleding [passen] [N 86 (1981)] || Passen. Wie een nieuwe jas bestelt laat zich de maat nemen en moet later naar de kleermaker om het kledingstuk te gaan ... Welk woord gebruikt uw dialect hier? (fr. essayer) [ZND 48 (1954)]
II-7, III-1-3
|
| 23784 |
passiezondag |
palmzondag*:
pawmzoennig (L416p Opglabbeek),
passiezondag:
passiezoennig (L416p Opglabbeek)
|
De vijfde zondag van de vasten, de voorlaatste zondag vóór Pasen. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 28898 |
passpiegel |
spiegel voor de klanten:
spiegel voor de klanten (L416p Opglabbeek)
|
Grote spiegel waarin men zich helemaal kan zien, ten voeten uit. [N 59, 34]
II-7
|
| 20749 |
pasteitje |
vid-tje:
vidēkə (L416p Opglabbeek)
|
Klein pasteitje, de niet gevulde vorm van deeg (viedeeke?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|
| 33561 |
pastinaak |
pastenaken:
WBD/WLD
bàstənāāk (L416p Opglabbeek),
pastenakenpoten:
bastenake poewt (L416p Opglabbeek)
|
De pastinaak, de vlezige wortel van de plant met dezelfde naam, die een aromatische smaak heeft (pastenaak, pannenakkerstrung). [N 82 (1981)] || pastinaak [ZND 05 (1924)]
I-7
|
| 23237 |
pastoor |
pastoor (<lat.):
də pəestijər (L416p Opglabbeek),
pəstūūr (L416p Opglabbeek),
pəsty:r (L416p Opglabbeek),
m
pəstu.r (L416p Opglabbeek),
ɛjnə pəsty:r (L416p Opglabbeek)
|
Een pastoor, het geestelijk hoofd van een parochie [pestoeër]. [N 96D (1989)] || pastoor [RND] || Pastoor. [ZND 14 (1926)]
III-3-3
|
| 25361 |
pastoorsstuk |
pastoorsstuk:
pǝstūrsstɛk (L416p Opglabbeek)
|
Het stuk vlees dat de pastoor krijgt. Dat is geen bepaald stuk, meestal is het het beste van de slacht. Het stuk krijgt vaak de normale slachtersbenaming. In dit lemma worden deze normale slachtersbenamingen voor de diverse stukken vlees weggelaten. Zij worden opgenomen in deel III van het woordenboek bij het onderdeel: ''Producten van de slacht''. [N 28, 103; monogr.]
II-1
|
| 23236 |
pastorie |
pastorie:
də pəstrī (L416p Opglabbeek),
pástəriĕ (L416p Opglabbeek)
|
De pastorij. [ZND 12 (1926)] || Het woonhuis van de pastoor, pastorie. [N 96D (1989)]
III-3-3
|
| 20685 |
patates frites |
friet:
frit (L416p Opglabbeek),
Ze kocht zich èè ti-jsje frit möt majenèès
frit (L416p Opglabbeek),
frieten:
fretə (L416p Opglabbeek)
|
friet || frieten || Patates frites (friet, petat?) [N 16 (1962)]
III-2-3
|