| 23789 |
palmtakje |
palmtakje:
pálm tekske (L416p Opglabbeek)
|
Het palmtakje dat men achter het wijwaterbakje steekt om bij ziekte en onweer wijwater mee te sprenkelen [palemteks-je]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23788 |
palmtakjes plaatsen |
palmen:
palme (kerkhof) (L416p Opglabbeek),
pawme guun (L416p Opglabbeek),
palmtakje opzetten:
pelemtekske opzette (L416p Opglabbeek)
|
Het gebruik om palmtakjes te plaatsen a. in huis, b. in de stallen en in de schuur, c. in de moestuin, d. op de akkers, e. op het graf van een dierbare overledene [korenpalmen, pejmke sjtèke]. Geef met a, b, c, d, e aan waar. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23786 |
palmwijding |
palmwijding:
pawmwie-ing (L416p Opglabbeek),
pálmwīējing (L416p Opglabbeek)
|
De palmwijding op Palmzondag. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 23785 |
palmzondag |
palmzondag:
pawmzoennig (L416p Opglabbeek),
pálm zŏĕnig (L416p Opglabbeek),
passiezondag:
passiezoennig (L416p Opglabbeek)
|
De zondag vóór Pasen, Palm-/Palmenzondag. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 25402 |
pan of ketel met het hete gietwater |
emmer met tuitel:
emǝr mɛt tęjtǝl (L416p Opglabbeek),
gieter:
gīǝtǝr (L416p Opglabbeek),
ketel:
kīǝtǝl (L416p Opglabbeek)
|
In het stenen fornuis waarin de boerin vroegende was kookte, wordt water verhit. Met een pan, ketel of emmer schept men hieruit heet water dat dan over het varken wordt gegoten. Beschikt men niet over een dergelijk fornuis, dan wordt het water in ketels e.d. op de kachel of een gewoon keukenfornuis verwarmd. [N 28, 20]
II-1
|
| 33667 |
pand van een weideperceel |
pand:
pant (L416p Opglabbeek)
|
Gedeelte van een perceel weiland, of van weiland in het algemeen, dat zich bevindt tussen afwateringssloten. Het betreft uiteraard slechts laaggelegen weidegronden. [N 14, 61]
I-8
|
| 32736 |
pand, bed |
pand:
pa.nt (L416p Opglabbeek),
pɛn (L416p Opglabbeek)
|
Een pand of bed is een deel van een (meest erg lange) akker of een smal stuk land tussen twee evenwijdige greppels. Vergelijk het lemma In Panden Ploegen. Panden zijn doorgaans kleiner van oppervlakte dan gewone percelen op drogere grond. Men onderscheidt soms brede en smalle akkerdelen. Waar de brede stukken panden heten, worden de smalle stukken bedden genoemd. Het omgekeerde is ook mogelijk. Met perken bedoelt men de brede stukken. Hieronder is van deze afzonderlijk te ploegen akkerdelen - voor zover mogelijk - de breedte in voren of meters vermeld. Omdat een akker meerdere panden of bedden omvat, zijn ook de verstrekte meervoudsvormen opgenomen. [N 11, 53a + b; N 11A, 122 add.; N 11A, 130 a + c; JG 1a + 1b + 1c + 2c; A 44, 21e]
I-1
|
| 30223 |
panlatten |
daklatten:
dāklatǝ (L416p Opglabbeek),
pannenlatten:
panǝlatǝ (L416p Opglabbeek)
|
De horizontale latten waarop de dakpannen worden gelegd. De panlatten worden met hun breedste zijde op het dakbeschot of op de kepers gespijkerd. De onderste panlat dient groter in doorsnede te zijn. Er wordt daar dan ook meestal een dubbele panlat aangebracht of een panlat op zijn kant. Dit laatste werd in Q 121c 'een daklat hoogkant' ('eŋ dāxlats hūxkaŋk'), in L 385 en Q 15 een 'panlat op zijn hoge kant' (L 385: 'panlat ǫp ˲zǝnǝ hōgǝ kanjt'; Q 15: 'panlat ǫp ˲zǝn huǝgǝ k'njt') en in K 353 'een panlat op zijn kant' ('ǝn pánlát up ˲zønǝ kãnt') genoemd. Zie ook afb. 49p en 83a. [N F, 32a; N 54, 179; N 54, 180a; N 54, 180b; N 4A, 14b; monogr.]
II-9
|
| 19434 |
pannen schuren |
afschuren:
ààfsjoarə (L416p Opglabbeek),
schuren:
sjōre (L416p Opglabbeek)
|
Vlekvrij maken van b.v. pannen door te schuren b.v. met zand (schuren, schrobben) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 20700 |
pannenkoek |
bloemkoek:
bloemkoek
blōmkōk (L416p Opglabbeek),
eierenkoek:
eierkoek
eijərəkōk (L416p Opglabbeek),
koek:
mv.: {k‰k}.
kōk (L416p Opglabbeek),
smoutkoek:
smautkook (L416p Opglabbeek)
|
Pannekoek, heel in het algemeen (struif, flenske, koekebak?) [N 16 (1962)] || pannenkoek [ZND 40 (1942)]
III-2-3
|