| 32797 |
overdwars eggen |
in het kort [eggen]:
ęn t kort (L416p Opglabbeek),
over de voren [eggen]:
īvǝr dǝ vǭrǝ (L416p Opglabbeek)
|
Men egt een akker in de breedte om de ploegvoren te breken of om hem van onkruid te zuiveren. Meestal wordt de akker daarna ook nog eens in lengte geëgd. In de betrokken woordtypen hieronder verschijnen dwars, wars e.d. steeds met a als klinker, ook al beantwoordt aan de meeste dialectvarianten veeleer een type met e (dwers e.d.) of ee (dweers e.d.). Voor het werkwoordelijk deel eggen en de weglating daarvan bij de varianten zie men de toelichting op het lemma ''eggen''.' [JG 1a + 1b + 1c + 2c; N 11, 84b; N 11A, 176d + 189d; monogr.]
I-2
|
| 33817 |
overgevoelig paard |
jenker:
jeŋkǝr (L416p Opglabbeek)
|
Paard dat bij het zien van mensen geluiden en bewegingen maakt, maar zonder kwaadaardigheid. [N 8, 94e]
I-9
|
| 19465 |
overgordijn |
draperie:
dràpperi-j (L416p Opglabbeek)
|
Dun gordijn van gaas of andere fijne stof, dat vlak voor het raam hangt (gordijn, glasgordijn, vitrage) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 28997 |
overhandsen, omslingeren |
oversteken:
oversteken (L416p Opglabbeek),
ēvǝrstē̜kǝ (L416p Opglabbeek)
|
Overhandsen is bij elke steek de draad over de zoom toehalen, terwijl omslingeren het rafelen moet voorkomen. Voor overhandsen en omslingeren wordt wel dezelfde steek gebruikt, maar er zijn toch verschillen. Bij overhandsen is er sprake van twee lagen of twee stukken stof, bij omslingeren is er slechts sprake van één stuk stof; bij overhandsen is er sprake van het aan elkaar bevestigen van twee delen, bij omslingeren van beveiligen van de stofrand tegen uitrafelen. Beide begrippen zijn in dit lemma ondergebracht. [N 59, 66; N 59, 65; N 59, 67; N 62, 15a; N 62, 15b; N 62, 15c; Gi 1.IV, 30]
II-7
|
| 18695 |
overhemd |
hemd:
hemə (L416p Opglabbeek)
|
overhemd [ingels hemd, sporthemd, frontj] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 18534 |
overhemd met boord |
overhemd met boord:
overhemd met board (L416p Opglabbeek)
|
het overhemd met boord [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 18535 |
overhemd zonder boord |
gewoon overhemd:
gewoon overhemd (L416p Opglabbeek)
|
overhemd zonder boord [N 59 (1973)]
III-1-3
|
| 32799 |
overhoeks eggen |
overhoek [eggen]:
īǝ.vǝrhōk (L416p Opglabbeek)
|
Manier van eggen waarbij men met de eg schuin over de akker gaat. Men kan schuin in de lengterichting of schuin in de breedterichting eggen. Zie afb. 71. Nadat men een akker overhoeks geëgd heeft (om onkruid te bestrijden of om de grond gelijk te trekken), egt men hem gewoonlijk in de lengte af. Voor het werkwoordelijk deel eggen en de weglating daarvan bij de varianten zie men de toelichting bij het lemma ¬¥eggen¬¥. [JG 1b + 1c + 1d + 2c; N 11, 84c; N 11A, 177c; div.; monogr.]
I-2
|
| 18553 |
overjas (alg.) |
overjas:
īvərja.s (L416p Opglabbeek),
īvərjaos (L416p Opglabbeek, ...
L416p Opglabbeek),
overjas (L416p Opglabbeek),
winterjas:
winterjas (L416p Opglabbeek)
|
een jas die men over het colbert heen draagt [N 59 (1973)] || een lange dikke overjas [N 59 (1973)] || herenoverjas; inventarisatie huidige uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] || herenoverjas; inventarisatie vero uitdrukkingen; betekenis/uitspraak [N 25 (1964)] || overjas, lange ~, dik en warm [euverpalto, palzeer, jaager] [N 23 (1964)]
III-1-3
|
| 33897 |
overkoot |
overgekoot:
īǝvǝrgǝkū.t (L416p Opglabbeek)
|
Het voorwaarts doorknikken van de koot van het voorbeen van het paard als gevolg van een verstuiking of van een forcering door te hard te trekken. Zie afbeelding 13. [JG 1b; N 8, 73b, 93a, 93b en 95m]
I-9
|