| 32449 |
klompspijkertje |
klompennageltje:
klompǝnē̜gǝlkǝ (L416p Opglabbeek),
tripnageltje:
trepnē̜gǝlkǝ (L416p Opglabbeek)
|
Kort spijkertje met brede, platte kop waarmee de klompenriem aan de klomp wordt vastgemaakt. [N 97, 144; monogr.]
II-12
|
| 20531 |
klonteren |
klonteren:
geklonterd (L416p Opglabbeek),
gəklòntərt (L416p Opglabbeek),
klóntere (L416p Opglabbeek)
|
klonteren; Hoe noemt U: Tot klonters koken, gezegd van b.v. pap (koeken, klonteren) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 23281 |
klooster |
klooster:
kly(3)̄stər (L416p Opglabbeek)
|
Een klooster. [ZND A2 (1940sq)]
III-3-3
|
| 23280 |
kloosterorde |
orde:
ein straŋ ordə (L416p Opglabbeek),
ɛjn streŋ ordə (L416p Opglabbeek)
|
Een strenge orde (kloosterorde geef aan of het woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is. [ZND 40 (1942)]
III-3-3
|
| 19405 |
klopper, garde |
klopper:
klòppər (L416p Opglabbeek),
kwispel:
kwispel (L416p Opglabbeek),
(gemaakt van wissen)
kwispel (L416p Opglabbeek)
|
een uit ontschorste tenen van berkenhout bijeengebonden soort borstel om in deeg, stijfsel enz. te roeren || Keukeninstrument voor b.v. het kloppen van room of eieren bestaande uit een aantal lusvormige draden die in een handgreep samenkomen (klopper, garde) [N 79 (1979)]
III-2-1
|
| 25030 |
klotsen van vloeistoffen |
klotsen:
klōētsə (L416p Opglabbeek)
|
het geluid dat vloeistoffen maken bij het golven en botsen van de golven tegen elkaar of tegen een wand [klotsen, kwatsen, palsen] [N 91 (1982)]
III-4-4
|
| 18120 |
kloven |
doorhouwen:
dūrhǫwǝ (L416p Opglabbeek),
kloven:
klevə (L416p Opglabbeek)
|
kloven in de hand [kloove, klieve, sprunge, kreewe] [N 10 (1961)] || Nadat het dier bestorven is, wordt het in twee delen verdeeld door het in de ruggegraat door te kappen. Soms laat men de ruggegraat aan één kant zitten en kapt men de ribben aan de andere kant los. Beide delen worden vervolgens apart verwerkt. [N 28, 89; Veldeke 32, 69; monogr.]
II-1, III-1-2
|
| 22659 |
klucht |
klucht:
eͅin klyxt (L416p Opglabbeek)
|
Een klucht. [ZND A1 (1940sq)]
III-3-2
|
| 33675 |
kluit aarde |
klot:
klǫt (L416p Opglabbeek)
|
[N 27, 36; S 18; R 3, 8; L 28, 8; L 28, 9; L 1a-m; L B2, 290; ALE 257; Vd.; monogr.]
I-8
|
| 23223 |
kluizenaar |
kluizenaar:
klŭŭzənéér (L416p Opglabbeek)
|
Een man die in een eenzame woning afgezonderd leeft van de wereld, kluizenaar [(h)er(r)emiet]. [N 96D (1989)]
III-3-3
|