e-WLD begrippen 

 
 
Filteren... plaats=Opglabbeek

Overzicht

BegripTrefwoord: dialectopgave (plaats)Omschrijving
klompspijkertje klompennageltje: klompǝnē̜gǝlkǝ (Opglabbeek), tripnageltje: trepnē̜gǝlkǝ (Opglabbeek) Kort spijkertje met brede, platte kop waarmee de klompenriem aan de klomp wordt vastgemaakt. [N 97, 144; monogr.] II-12
klonteren klonteren: geklonterd (Opglabbeek), gəklòntərt (Opglabbeek), klóntere (Opglabbeek) klonteren; Hoe noemt U: Tot klonters koken, gezegd van b.v. pap (koeken, klonteren) [N 80 (1980)] III-2-3
klooster klooster: kly(3)̄stər (Opglabbeek) Een klooster. [ZND A2 (1940sq)] III-3-3
kloosterorde orde: ein straŋ ordə (Opglabbeek), ɛjn streŋ ordə (Opglabbeek) Een strenge orde (kloosterorde geef aan of het woord mannelijk, vrouwelijk of onzijdig is. [ZND 40 (1942)] III-3-3
klopper, garde klopper: klòppər (Opglabbeek), kwispel: kwispel (Opglabbeek), (gemaakt van wissen)  kwispel (Opglabbeek) een uit ontschorste tenen van berkenhout bijeengebonden soort borstel om in deeg, stijfsel enz. te roeren || Keukeninstrument voor b.v. het kloppen van room of eieren bestaande uit een aantal lusvormige draden die in een handgreep samenkomen (klopper, garde) [N 79 (1979)] III-2-1
klotsen van vloeistoffen klotsen: klōētsə (Opglabbeek) het geluid dat vloeistoffen maken bij het golven en botsen van de golven tegen elkaar of tegen een wand [klotsen, kwatsen, palsen] [N 91 (1982)] III-4-4
kloven doorhouwen: dūrhǫwǝ (Opglabbeek), kloven: klevə (Opglabbeek) kloven in de hand [kloove, klieve, sprunge, kreewe] [N 10 (1961)] || Nadat het dier bestorven is, wordt het in twee delen verdeeld door het in de ruggegraat door te kappen. Soms laat men de ruggegraat aan één kant zitten en kapt men de ribben aan de andere kant los. Beide delen worden vervolgens apart verwerkt. [N 28, 89; Veldeke 32, 69; monogr.] II-1, III-1-2
klucht klucht: eͅin klyxt (Opglabbeek) Een klucht. [ZND A1 (1940sq)] III-3-2
kluit aarde klot: klǫt (Opglabbeek) [N 27, 36; S 18; R 3, 8; L 28, 8; L 28, 9; L 1a-m; L B2, 290; ALE 257; Vd.; monogr.] I-8
kluizenaar kluizenaar: klŭŭzənéér (Opglabbeek) Een man die in een eenzame woning afgezonderd leeft van de wereld, kluizenaar [(h)er(r)emiet]. [N 96D (1989)] III-3-3