| 19331 |
grapjas |
komiek:
möt dèè kemik könste dich dèk ein briêk lache
kemik (L416p Opglabbeek),
schurk:
afl. van schurk, maar met een veel vriendelijker betekenis
sjork (L416p Opglabbeek)
|
grapjas, plaaggeest || komiek, grapjas
III-1-4
|
| 19208 |
grappig |
plezierig:
ook materiaal znd 24, 26
pləzēreͅx (L416p Opglabbeek),
schuins:
allicht verwant aan schuin(s) ein sjeense kèrel
sjeens (L416p Opglabbeek),
Sjèènse kâl neemt men uich:kâl wi-j kook
sjèèns (L416p Opglabbeek)
|
grappig [ZND 01 (1922)]
III-1-4
|
| 32848 |
gras |
gras:
grā.s (L416p Opglabbeek)
|
De algemene benaming voor het gewas, zo uitvoerig mogelijk gedocumenteerd, zodat in de volgende lemma''s naar deze opgaven en naar de klankkaart kan worden verwezen. Op de klankkaart van het type gras zijn de vormen met betoning niet apart aangegeven; men kan bij dit woord aannemen dat het in het gehele polytone gebied sleeptoon heeft. Wanneer er meer dan één variant voor een plaats was opgegeven, is bij voorkeur het materiaal van de mondelinge enquêtes in kaart gebracht.' [N 14, 88a; JG 1b, add.; Wi 54; S 11; L 1 a-m; L 1u, 75; L 20, 26a; L 35, 65; L. 39, 41; A 2, 54; A 4, 26a; A 4, 28; RND 111; monogr.]
I-3
|
| 32862 |
gras (af)maaien |
afmaaien:
āf[maaien] (L416p Opglabbeek)
|
Hieronder worden de specifieke woorden voor het maaien van het gras opgenomen; vergelijk de toelichting bij het voorgaande lemma. Het object is in alle gevallen "gras". Het woordtype afmaaien is hier het frequentst; per variant van af- staan hier eerst de vormen waarvan het tweede element identiek is aan de in het voorgaande lemma fonetisch gedocumenteerde opgaven voor maaien; daarna de daarvan afwijkende opgaven voor -maaien. [N 15, 15a add.; N 18, 79 add.; A 23, 16 add.; L 35, 85; RND 122 add.; Lu 1, 16 II add.; monogr.]
I-3
|
| 32850 |
gras of grasland om af te grazen |
beestenwei:
bīǝstǝwē̜i̯ (L416p Opglabbeek),
blijvende wei:
blīvǝndǝ wē̜i̯ (L416p Opglabbeek)
|
Gras bestemd om afgegraasd te worden. Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) gras het lemma ''gras''. [N 14, 89b; monogr.]
I-3
|
| 32851 |
gras of grasland om te hooien |
hooigras:
hű̄i̯[gras]/hȳi̯[gras] (L416p Opglabbeek)
|
Gras bestemd voor de hooibouw. Zie voor de fonetische documentatie van het woord(deel) gras het lemma ''gras''. [N 14, 89a; N 14, 88a add.; monogr.]
I-3
|
| 33661 |
grasland |
groes:
grōs (L416p Opglabbeek)
|
Grasland in het algemeen en ook wel de graslaag of grasmat in het bijzonder. In N 14, 54 werd gevraagd naar de dialectwoorden voor ø̄grond die met gras is begroeid in het algemeen, ook grasland dat niet als weide is aangelegd of als zodanig wordt gebruiktø̄. Volgens een aantal informanten kan groes echter ook ø̄beemdø̄ of ø̄weiø̄ betekenen. [N 14, 54; N 14, 50a; N 14, 50b; N 6, 33b; N P, 5; L 19b, 2aI; L 4, 40; A 10, 4; monogr.]
I-8
|
| 32883 |
grasmaaimachine |
maaimachine:
mɛi̯mǝšin (L416p Opglabbeek)
|
Het door één of twee paarden getrokken tweewielig werktuig uit het begin van de mechanisatie om gras te maaien. Zie afbeelding 6. [N J, 1a; JG 1a, 1b; monogr.]
I-3
|
| 24158 |
grasmus |
grasmus:
grasmus (gew.uitspr.) (L416p Opglabbeek),
heggenschijter:
heͅgəšitər (L416p Opglabbeek)
|
grasmus || grasmus (14 kleur als braamsluiper [044], maar wittere keel; overal buiten in struiken op open terrein; nest graag in braamstruiken; roep [wèèèèt-wèèèèt]; zang druk kwetterend [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 24159 |
graspieper |
grasmus:
grasmeͅs (L416p Opglabbeek),
graspieper:
graspieper (gew.uitspr.) (L416p Opglabbeek)
|
graspieper || graspieper (14,5 als boompieper [036], maar nu juist op nat wei- en veenland; zang is zachter [N 09 (1961)]
III-4-1
|