| 28266 |
ophalen |
blinken:
bliŋkǝ (Q253p Montzen)
|
De laatste poetsbewerking van de schoen met behulp van borstels en zachte doeken om de schoen zijn diepste glans te geven. [N 60, 143a]
II-10
|
| 18218 |
ophanger |
lits:
də lĕtš (Q253p Montzen),
letš (Q253p Montzen),
litsje:
letškǝ (Q253p Montzen),
lĕtškə (Q253p Montzen)
|
het lusje waarmee men de jas kan ophangen [N 59 (1973)] || Het lusje waarmee men de jas kan ophangen. [N 59, 125; Gi 1.IV, 37]
II-7, III-1-3
|
| 21275 |
opmaken |
opmaken:
xɛ.lt dropma.kə (Q253p Montzen)
|
geld opdoen (opmaken) [RND]
III-3-1
|
| 17566 |
opperhuid |
vel:
Opm.: afgestroopt vel = [huut].
vɛ̄l (Q253p Montzen)
|
Opperhuid (huid, bovenhuid, -vel). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 30993 |
oppinnen |
het overleer opnagelen:
ǝt ǭvǝrlę̄r opnę̄gǝlǝ (Q253p Montzen)
|
Het voorlopig vastslaan van het overleer na het overhalen. [N 60, 85]
II-10
|
| 31058 |
opprikken |
de steek doen uitkomen met de bout:
dǝ štiǝk duǝ utkǭmǝ met dǝr bōt (Q253p Montzen)
|
Het met behulp van een steekopzetter of roulette meer zichtbaar maken van de steken in de rand. [N 60, 124b]
II-10
|
| 18030 |
oprispen |
rupsen:
röpsche (Q253p Montzen),
röpšə (Q253p Montzen),
røͅp.šə (Q253p Montzen)
|
oprispen [ZND 05 (1924)], [ZND m]
III-1-2
|
| 18031 |
oprisping |
rups:
röpsch (Q253p Montzen)
|
oprisping [ZND 05 (1924)]
III-1-2
|
| 17866 |
opschuiven |
opzij schuiven:
opzijsjy(3)̄və (Q253p Montzen)
|
Opschuiven: in zijwaartse richting schuiven (opschikken, schavielen, opschuiven, opzij gaan) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 28431 |
opspijlen |
pennen:
pɛnǝ (Q253p Montzen)
|
De korf van spijlen voorzien. Zie ook het lemma Verstevigingsspijlen. [N 63, 7a]
II-6
|