| 28875 |
oog van de naald |
oog:
ow (Q253p Montzen)
|
De opening van de naald waardoorheen men de draad steekt. [N 59, 11b; Gi 1.IV, 13b; monogr.]
II-7
|
| 33023 |
oogst -opbrengst |
schaar:
šōr (Q253p Montzen)
|
Oogst in de betekenis van "een goede oogst" of "de oogst staat er goed voor"; het tweede deel van deze laatste uitdrukking is ondergebracht in het volgende lemma. Voor de fonetische documentatie van de woordtypen [oogst], [bouw] en [bouwt], zie het lemma ''oogst -werkzaamheden'' (4.1.2); de in dit lemma gedocumenteerde varianten van oogst komen daar ofwel in het geheel niet voor, ofwel (soms) als een wezenlijk andere variant. [N 15, 11; L 5, 29; L 39, 39; S 27; monogr.; add. uit N 15, 10 en12]
I-4
|
| 17732 |
oogvuil (slaper) |
pips:
pepṣ (Q253p Montzen)
|
Gedroogd vuil in de oogshoeken (slaper, slaap, pups, pips, kodde) [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 20356 |
oom |
nonk:
nongk (Q253p Montzen),
nonk (Q253p Montzen),
nóóngk (Q253p Montzen)
|
oom [ZND 11 (1925)]
III-2-2
|
| 17757 |
oor |
oor:
u.ərə (Q253p Montzen),
uër (Q253p Montzen)
|
Oor (orgaan van het gehoor; het of de ...) kleine oortjes. [ZND 05 (1924)] || oren [RND]
III-1-1
|
| 17615 |
oorlel |
oorlapje:
uərlɛpkə (Q253p Montzen)
|
Oorlel: afhangend lapje aan de oorschelp ((oor)lel, (oor)lelletje) [N 106 (2001)]
III-1-1
|
| 17873 |
oorveeg |
dadel, enz.):
oervig (Q253p Montzen),
uə.rvi.g (Q253p Montzen)
|
een muilpeer (geef gelijkbeteekenende woorden: oorvijg [ZND 01u (1924)]
III-1-2
|
| 23198 |
op bedevaart gaan |
bidweg maken:
betwɛ̄ch mākə (Q253p Montzen),
op bidweg gaan:
op betwɛ̄ch guə (Q253p Montzen)
|
Een bedevaart doen, op bedevaart gaan [beewegen, beevaarden, bèèverte]. [N 96C (1989)]
III-3-3
|
| 28966 |
op de knie naaien |
op gen knie naaien:
op ǝn knē niǝnǝ (Q253p Montzen)
|
Met de knieën op elkaar of met gekruiste benen naaien op één der knieën. Bij voorkeur naait men op de linkerknie, omdat het lichaam hierbij een veel natuurlijker houding aanneemt dan bij het naaien op de rechterknie. [N 59, 71a]
II-7
|
| 17949 |
op de tenen lopen |
trippelen:
tripələ (Q253p Montzen)
|
Op zijn tenen lopen (trippelen). [N 109 (2001)]
III-1-2
|