| 20814 |
ontbijtkoek, peperkoek |
peperkoek:
Verklw. paeperkukske Deze werd veel cadeau gegeven als men op kraamvisite ging. Peperkoek bevordert de ontlasting
paeperkook (L289b Leuken)
|
peperkoek
III-2-3
|
| 33711 |
ontginnen |
ontginnen:
ontgenǝ (L289b Leuken)
|
Het in cultuur brengen van woeste grond. [N 27, 5; N 11a, 112; monogr.]
I-8
|
| 33682 |
onvruchtbare grond |
slechte grond:
slɛxtǝ gront (L289b Leuken)
|
Grond van slechte kwaliteit. De oorzaak kan verschillend zijn. Het gevolg is echter een slecht landbouwproduct. [N 27, 31; N 27, 29; N 11, 2d; N 11, 2f; A 10, 4; N 6, 33a; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 34151 |
onvruchtbare koe |
brul:
brøl (L289b Leuken)
|
In dit lemma duiden de benamingen niet alleen op een koe die bij de dekking niet is bevrucht maar ook op een rund dat halfslachtig ter wereld is gekomen dat wil zeggen half stier en half koe is. Ook tweeling-runderen zijn vaker onvruchtbaar. [N 3A, 102; N 3A, 103; N 3A, 150h; N 3A, 150i; JG 1a, 1b; A 4, 14; L 20, 14; monogr; add. uit N C]
I-11
|
| 25119 |
onweersbui |
donderbui:
Nb. Voor "oe"zie vraagnr. 29.
doenderschoor (L289b Leuken),
donderschoer:
⁄n dônderschoôr (L289b Leuken),
schoer:
schoôr (L289b Leuken)
|
donderbui, onweersbui || onweersbui met veel regen en wind [schoer, donderschoer] [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 25176 |
onweerx |
onweer:
(meervoud: ónwaere; verkleinwoord: ónwaerke).
onwaer (L289b Leuken),
Nb. "oe"zweemt naar o.
oenwer (L289b Leuken)
|
onweer [N 22 (1963)]
III-4-4
|
| 20736 |
ooftvlaai |
appeltjesvlaai:
Syst. WBD
eppelkesflaaj (L289b Leuken),
ooftenvlaai:
oôftevlaaj (L289b Leuken),
Syst. WBD
oofteflaaj (L289b Leuken),
Verklw. oeëftevlaetje
oeëftevlaaj (L289b Leuken)
|
Vla met moes van gedroogde appelen (euftevlaoj, zwarte vla?) [N 16 (1962)] || vlaai met spijs van gedroogde peren
III-2-3
|
| 28875 |
oog van de naald |
oog:
ǫwx (L289b Leuken)
|
De opening van de naald waardoorheen men de draad steekt. [N 59, 11b; Gi 1.IV, 13b; monogr.]
II-7
|
| 33935 |
oogkleppen |
ooglappen:
ǫu̯xlapǝ (L289b Leuken)
|
Nagenoeg vierkante leren kleppen die ter hoogte van de ogen aan het hoofdstel vastgemaakt zijn. De oogkleppen dwingen het paard altijd voor zich uit te kijken, en voorkomen zo dat het naast zich iets zou bemerken dat het doet schrikken. [JG 1a, 1b, 1c, 2b, 2c; N 13, 28; monogr.]
I-10
|
| 17595 |
ooglid |
ooglid:
aogleed (L289b Leuken)
|
oog: ooglid [N 10a (1961)]
III-1-1
|