| 19546 |
olielamp |
olielamp:
oͅləlamp (Q078p Wellen),
smoutlamp:
smātlamp (Q078p Wellen),
wiekje:
olielamp met vlottertje waar wiekje doorstak
wekskə (Q078p Wellen)
|
lamp/ luchter; inventarisatie soorten en gebruiksmogelijkheden; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)] || lampepit van katoen in een petroleumlamp (limet, lemmet, lemment, lemmert) [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 26677 |
oliemolen |
slagmolen:
slǭ.x[molen] (Q078p Wellen),
slǭx[molen] (Q078p Wellen)
|
Wind-, water- of rosmolen waarin uit zaden olie wordt geslagen. Het zaad wordt daartoe gekneusd met behulp van de zgn. kollergang bestaande uit twee verticaal geplaatste loperstenen. Het geplette zaad wordt in een pan verhit en vervolgens in wollen zakjes (builen) geborgen, waarna de builen in leren omslagen met een paardeharen voering gelegd worden. Het op deze wijze verpakte warme zaadmeel wordt daarna tweemaal geperst. Zie voor de fonetische documentatie van het woorddeel -ømolenŋ het lemma ɛmolenɛ.' [JG 1a; JG 1b; Vds 15; Jan 15; Coe 5; Grof 5; monogr.; N D add.]
II-3
|
| 17916 |
omarmen |
overarmvollen:
euverelveren (Q078p Wellen)
|
Met gestrekte armen omvatten ((om)vademen, (om)spannen, omarmen, (om)pakken) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 33745 |
omheinen |
afpalen:
āfpǭlǝ (Q078p Wellen),
rek maken:
ręk mǭkǝ (Q078p Wellen)
|
Iets omgeven met een omheining, meest van toepassing op een weiland. [N 14, 63; L 32, 45; A 25, 9; Gwn 16, 11; Vld.; monogr.]
I-8
|
| 19711 |
omheining |
rek:
ręk (Q078p Wellen)
|
De omheining in het algemeen. [N 14, 62; N 14, 67; S 11, 13; L 19B, 5a; A 25, 5; RND 8, 20; Gwn 16, 11; monogr.]
I-8
|
| 17850 |
omhooggaan |
bovenop gaan:
bovenop goan (Q078p Wellen)
|
Omhooggaan, naar boven gaan (rijzen, (op)stijgen, omhoog gaan) [N 108 (2001)]
III-1-2
|
| 33792 |
omhulsel van het teellid |
sluif:
slő̜u̯f (Q078p Wellen)
|
Schede van de roede. [JG, 1b; N 8, 36 en 37b]
I-9
|
| 31423 |
omslagboor |
wiemelsboor:
wimǝls˱bōǝr (Q078p Wellen),
zwong:
zwǫwŋ (Q078p Wellen)
|
Houtboor met een houten of metalen C-vormige booromslag waarmee een draaiende beweging wordt gegeven aan het boorijzer. Zie ook het lemma ɛomslagboorɛ in Wld II.11, pag. 84.' [N 53, 160c; monogr.]
II-12
|
| 18188 |
omslagdoek (alg.) |
slat:
[WNT: slat (I). Wss. een gew. vorm naast slet. 1. Lap, stuk goed.
slât (Q078p Wellen)
|
Doek, die om de schouders wordt geslagen (fr. châle). [ZND 05 (1924)]
III-1-3
|
| 34211 |
omweiden |
herweiden:
hęrwējǝ (Q078p Wellen),
herzetten:
hęrzētǝ (Q078p Wellen)
|
Het geregeld verplaatsen van vee. [N 3A, 11; monogr.]
I-11
|