| 18051 |
litteken |
litteken:
letteiken (Q078p Wellen),
litteeke (Q078p Wellen),
lètteeke (Q078p Wellen)
|
een litteken [ZND 37 (1941)] || litteken [ZND 01 (1922)]
III-1-2
|
| 34133 |
loeien van de koe in het algemeen |
blaken:
blǭkǝ (Q078p Wellen),
keken:
ki̯ękǝ (Q078p Wellen),
kē̜ǝkǝ (Q078p Wellen)
|
[N 3A, 5a; JG 1a, 1b; Gwn V, 8; Wi 57; monogr.]
I-11
|
| 34137 |
loeien van de koe van pijn |
keken:
kēkǝ (Q078p Wellen),
kēǝkǝ (Q078p Wellen)
|
[N 3A, 5e]
I-11
|
| 33965 |
loenje |
teugel:
tø̜i̯.gǝl (Q078p Wellen)
|
Dubbele band die aan weerszijden van het bit vastgemaakt is, maar slechts tot achter de nek van het paard reikt (cf. definitie van lemma Teugel). Achter aan deze riem is het kordeel vastgemaakt. [JG 1b; N 13, 31]
I-10
|
| 17721 |
loeren |
loeren:
loewere (Q078p Wellen)
|
Loeren (lonken, loensen). [N 109 (2001)]
III-1-1
|
| 23311 |
lof |
lof:
tloͅ.uf (Q078p Wellen)
|
het lof [RND]
III-3-3
|
| 17688 |
long |
long:
lŏŭng (Q078p Wellen)
|
long [ZND 01 (1922)]
III-1-1
|
| 31186 |
loodgieter |
loodgieter:
lōt˲gītǝr (Q078p Wellen),
zinkbewerker:
zęjŋk˱bǝwęrkǝr (Q078p Wellen
[(idem)]
)
|
Ambachtsman die vroeger vooral zink en blik bewerkte, loden buizen maakte en herstelde, dakgoten en regenpijpen plaatste en repareerde en, zo blijkt uit de antwoorden van de zegslieden, soms ook waterpompen aanlegde. Tegenwoordig installeert en repareert hij vooral sanitaire installaties en verwarmingstoestellen. Zie ook het lemma "zinkbewerker". Het woord pompenmaker werd in Venray (L 210) en omstreken ook gebruikt als benaming voor een koperslager. Zie ook het lemma "koperslager". [N 64, 161a; L 34, 17a-b; monogr.]
II-11
|
| 30081 |
loodplank |
pas:
pas (Q078p Wellen)
|
Instrument om te onderzoeken of iets horizontaal ligt of overal even hoog is. Zie ook afb. 30. De loodplank werd als volgt vervaardigd. In een rechthoekig houten bord sloeg men aan de bovenkant, in het midden, een haak. Vanuit die haak werd een loodlijn getrokken naar de onderzijde van het bord. Aan de haak werd een touw met ijzeren gewichtje (vgl. het schietlood) bevestigd. Als men wilde controleren of een muur waterpas was, werd de loodplank er bovenop geplaatst. Wanneer het gewicht ten opzichte van de streep naar links of rechts uitweek, was de muur niet horizontaal. Naast de vierkante loodplank kende men ook een driehoekig model. [N 30, 12c; monogr.]
II-9
|
| 25930 |
loodzegeltje |
loodje:
lø̜tšǝ (Q078p Wellen)
|
Loodzegeltje waarmee de molen in oorlogstijd afgesloten werd. Zie ook het lemma ɛmaalvergunningɛ.' [Grof 297]
II-3
|