| 34213 |
koeherder |
hoeder:
hø̄jǝr (Q078p Wellen),
koeherd:
køjaǝt (Q078p Wellen),
kǭi̯jōǝt (Q078p Wellen),
vatsji:
vatši (Q078p Wellen)
|
Zie ook het lemma ''koewachter, veeknecht'' (1.3.14) in wld I.6, blz. 23-25. [N 3A, 12b; JG 1a, 1b; monogr.]
I-11
|
| 34102 |
koeienmaag |
maag:
mǭx (Q078p Wellen),
pens:
pęns (Q078p Wellen)
|
Bedoeld is hier de koeienmaag in haar geheel. [N 3A, 120; A 9, 11]
I-11
|
| 34284 |
koekenbreker |
molen:
mø̜u̯lǝ (Q078p Wellen)
|
Werktuig waarmee men lijnkoeken en dergelijke tot brokjes maalt. [N 18, 135; N J, 7]
I-11
|
| 32568 |
koekenhort, vlaaienhort |
wisje:
wiskǝ (Q078p Wellen)
|
Doorgaans van witte wissen gevlochten onderzetter, waarop vers gebakken vlaaien of pannenkoeken worden gelegd om af te koelen. [N 40, 97; N 40, 118; N 40, add.; L 1u, 100; L 1a-m; L 35, 107; monogr.]
II-12
|
| 19407 |
koekenpan |
braadpan:
broͅi̯pan (Q078p Wellen),
bruəpan (Q078p Wellen),
koekenpan:
kukəpan (Q078p Wellen)
|
pot, metalen ~ met steelvormig handvat; inventarisatie benamingen; betekenis/uitspraak [N 20 (zj)]
III-2-1
|
| 24188 |
koekoek |
koekoek:
vdBerg; omgesp.
kukuk (Q078p Wellen)
|
koekoek (39 zomervogel; roep [koe-koek] [N 09 (1961)]
III-4-1
|
| 25771 |
koelbak |
afkoelbak:
áǝfkylbak (Q078p Wellen)
|
De kuip of platte bak waarin de kokende wort wordt afgekoeld. Zie afb. 9. Volgens de respondent uit L 290 werd gekoeld in een koperen bak die ongeveer 20 centimeter diep was. [N 35, 31; N35, add.]
II-2
|
| 25919 |
koelkuip |
koelbak:
kyǝlbak (Q078p Wellen)
|
De kuip waarin de warme stroop afgekoeld wordt. In Q 249 had men een speciale, koperen koelbak, terwijl de respondent uit L 387 daarvoor een wasketel gebruikte. Volgens de invuller uit L 295 deed men vroeger de stroop meteen in de potten en ging men pas later gebruik maken van een koelbak. [N 57, 32a]
II-2
|
| 25775 |
koelruimte |
brouwplak:
bráwplak (Q078p Wellen)
|
De ruimte waar de wort wordt afgekoeld door middel van koelbak, koelmolen etc. In vroeger dagen gebruikte men om te koelen ofwel een ruimte boven in de brouwerij ofwel de kelders omdat daar een constante lage temperatuur heerste. Later, toen men kon beschikken over kunstmatige koelinstallaties, was men niet meer zo gebonden aan een bepaalde plaats (Claessen, pag. 2. 28/2. 29). De woordtypen "schop", "plaats", "brouwhuis" en "brouwerij" duiden daar dan ook op. [N 35, 52; N 35, 34c]
II-2
|
| 25920 |
koeltafel |
tafel:
tǫfǝl (Q078p Wellen)
|
De tafel met opstaande randen die enigszins schuin staat en waarop stroop gekoeld wordt. [N 57, 32b]
II-2
|