| 17891 |
morsen |
knoeien:
knooje (L386p Vlodrop)
|
Morsen: met vuiligheid knoeien (morsen, mozen, mossen, mosselen, plorren, meggelen, mekkelen). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 24603 |
mos (alg.) |
mos:
eigen spelling
moosj (L386p Vlodrop)
|
Mos: kleine, sierlijke, groene plantjes die groepsgewijze en in aanzienlijke hoeveelheid bij elkaar groeiend voorkomen (mos, smos, kwacht, kwocht). [N 92 (1982)]
III-4-3
|
| 21263 |
motor |
moter:
mo.tər (L386p Vlodrop)
|
motor [RND]
III-3-1
|
| 25130 |
motregen, fijne regen |
beetje regen:
bietsje (L386p Vlodrop)
|
klein beetje regen [muggepis, pleisterke regen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 25100 |
motregenen, licht regenen |
gutsen:
gutsjen (L386p Vlodrop),
miezelen:
gemiezeld (L386p Vlodrop),
moezelen:
moozele (L386p Vlodrop),
sprinkelen:
sjprinkele (L386p Vlodrop),
zouwelen:
zauwelen (L386p Vlodrop)
|
beginnen te motregenen [te stieven, stiefregenen, mozelen, smossen, riezelen, ziebelen, zauwelen, netelen, zéémelen] [N 22 (1963)] || lichtjes regenen [sprenkelen, siebelen, zeiveren] [N 22 (1963)] || motregen, stofregen [moef-, stief-, smook- naajersregen, stobber, mozel, mot, smies] [N 22 (1963)] || zeer weinig regenen, zodat de grond maar net nat is [spruikelen] [N 81 (1980)]
III-4-4
|
| 24356 |
mug |
mug:
muk (L386p Vlodrop)
|
steekmug [DC 18 (1950)]
III-4-2
|
| 20598 |
muik |
mout:
moeet (L386p Vlodrop),
moet (L386p Vlodrop)
|
mui; Hoe noemt U: (Geheime) bergplaats voor onrijp fruit (mui, ponk, bier, moele, loering, gielgoerde) [N 80 (1980)]
III-2-3
|
| 34223 |
muilkorf voor kalveren |
muilkorf:
mulkørf (L386p Vlodrop)
|
De muilkorf voor kalveren die geen hooi mogen vreten. [N 3A, 14e]
I-11
|
| 17872 |
muilpeer |
kaakslag:
kaaksjlaag (L386p Vlodrop)
|
Slag op de kaak; muilpeer (flets, fleer, plakkaat, kek, kokarde, klamats). [N 84 (1981)]
III-1-2
|
| 20122 |
muizen |
muizen:
moeze (L386p Vlodrop),
ideosyncr.
moeze (L386p Vlodrop)
|
Hoe noemt u jacht maken op muizen, gezegd van de kat (muizen) [N 83 (1981)]
III-2-1
|