| 24215 |
nest |
bocht:
bēūg (L268p Velden),
bōōg (L268p Velden)
|
nest [SGV (1914)] || nesten (mv.) [SGV (1914)]
III-4-1
|
| 24435 |
nest, hoeveelheid jongen |
worp:
ideosyncr.
worp (L268p Velden)
|
Hoe noemt u de hoeveelheid jongen die een dier in één keer heeft (nest) [N 83 (1981)]
III-4-2
|
| 34521 |
nestei |
bochtei:
bōgē̜i̯ (L268p Velden)
|
Een nestei is het ei dat men bij het wegnemen van de eieren van de kippen in het nest laat liggen, opdat er andere bij gelegd worden. Soms gebruikt men een ei van kalk, porcelein of gips, soms een vuil ei. [S 25; monogr.]
I-12
|
| 24216 |
nestelen |
timmeren:
tummere(n) (L268p Velden)
|
een nestje maken, gezegd van vogels (timmeren, vuren, bouwen) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 24218 |
nestverlater |
vlugge jong:
vlugge joonge (L268p Velden, ...
L268p Velden)
|
in staat zijn om uit het nest te vliegen, gezegd van jonge volgels (vlug, stug, uitgevlogen, uitladen) [N 83 (1981)] || op het punt staan om het nest te verlaten, gezegd van jonge volgels (vlug) [N 83 (1981)]
III-4-1
|
| 17608 |
neus |
neus:
naas (L268p Velden)
|
neus [SGV (1914)]
III-1-1
|
| 17609 |
neus (spotnamen) |
gevel:
gevel (L268p Velden),
kokker:
kokker (L268p Velden),
snotneus:
snootnaas (L268p Velden)
|
neus: spotbenamingen [snoet, snotkoker, fok, fokker, kokker, domphoren, gevel, foemp] [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 17614 |
neusgaten |
neusgaten:
naasgater (L268p Velden)
|
neus: neusgaten [N 10 (1961)]
III-1-1
|
| 34222 |
neusklem |
ring:
reŋk (L268p Velden),
scheer:
sxīr (L268p Velden)
|
Klem in de neus van een stier. [N 3A, 14d]
I-11
|
| 33930 |
neusriem |
naasriem:
nāsrēm (L268p Velden)
|
Leren riempje van het hoofdstel dat over de neus van het paard loopt. [N 13, 23]
I-10
|